Boek

Voorwoord

Lieve lezers,

Fijn dat jullie hier gekomen zijn om mijn eerste boek, of delen van mijn eerste boek, te lezen. Verenigd Zielenrijk is in 2008 op 25 Juli (De Dag Buiten de Tijd) van de persen gerold. Het is een behoorlijk proces geweest dat in 1994 is begonnen. In dat jaar ben ik in contact gekomen met een zeer diepgaande zielsconnectie, die mij uiteindelijk inspireerde tot het schrijven van het boek. Ik maakte zoveel ‘rare’ dingen mee, waarbij ik echt dacht ‘dit moet ik delen.’ Ik ben namelijk in de veronderstelling dat als ik iets ervaar, er mensen meer zijn die hetzelfde ervaren het zij enkel in andere omstandigheden.

Het riep best veel verwarring op eerlijk gezegd en als ik een klein steentje bij kan dragen aan het ontwarren van dezelfde vraagstukken bij andere mensen, dan ben ik dankbaar het boek geschreven te hebben. Buiten dat is het schrijfproces een helingsproces geweest doordat ik mijn hele leven en een periode daarvoor nog eens ben doorgelopen en heb zodoende toch best veel kwetsuren en kwetsuurtjes nog eens mogen doorlopen, waarna ik ze transparant heb kunnen maken en via het Violette Vuur heb kunnen transmuteren.

De oorspronkelijke titel van het boek is Verenigd Zielenrijk en is van de persen gerold bij Uitgeverij Free Musketeers in Zoetermeer. Maar aangezien ik het boek nu gratis te lezen aanbied, mag ik dat niet doen onder deze naam. Daarom is de titel veranderd naar ‘Er kan er maar één zijn’ (There Can Be Only One). Ik hoop dat jullie net zoveel plezier beleven bij het lezen als ik had met het schrijven er van. Het boek is geheel online in deze categorie te lezen maar ook simpel te downloaden in PDF formaat voor op je PC, Laptop of Tablet. Op de nieuwe titel na is het boek geheel Nederlandstalig.

There Can Be Only One – Er kan er maar één zijn

Proloog

Gedurende de jaren van mijn leven, ben ik er stellig van overtuigd geraakt dat er niet zoiets bestaat als ‘toeval.’ ‘Toeval’ is Voorbestemming, ‘Toeval’ is datgene wat je toevalt, ‘Toeval’ is het werk van de Voorzienigheid die van die opmerkzame dingen op je pad stuurt om er het jouwe mee te doen. Samenlopen van omstandigheden die je passeren om je eigen lering uit te trekken. Na er iets van geleerd te hebben, te tonen dat je er iets mee kan.

Uitdagingen, de meeste mensen noemen deze ‘fouten,’ zijn er om van te leren. Je zult na een onbepaalde tijd steeds weer dezelfde uitdagingen op je pad tegenkomen. En telkens wanneer je er niet iets als lering uit blijkt te hebben getrokken, komt het terug. Een prachtige Universele wet, waaruit blijkt dat er eigenlijk geen ‘fouten’ gemaakt kunnen worden. Alles is een proces om wijzer van te worden. Wijzer in de zin van bewuster. Zelfbewuster.

Alles heeft een doel. Mensen noemen het ‘fouten,’ Universeel gezien zijn het eigenlijk alleen maar geheugensteuntjes. Iedereen, niemand uitgezonderd, krijgt door middel van voorbodes aangegeven wat er te wachten staat. Door goed op te letten, bewust te leven en te beleven, zul je intuïtief weten wat er gaat komen. Kijken, luisteren en opletten. Bewust kijken naar de wereld om je heen. Bewust luisteren naar het stemmetje in jezelf dat constant in gesprek met je is. Bewust letten op de mensen om je heen.

Letten op de dingen die ze doen en zeggen, maar vooral ook op de dingen die ze juist niet doen en zeggen. Daarmee zul je achter de beweegredenen komen van het hoe en waarom mensen dingen doen en laten. Daarmee zul je ook zien dat we in onze basis allemaal hetzelfde zijn. Simpelweg zijn we allemaal maar gewoon mensen, met hetzelfde doel. Leven op aarde om verder te komen in onze evolutie. Met het goed zijn voor ons zelf en onze medemensen, werken we ook aan de evolutie van Moeder Aarde. Onze Aarde en al haar bewoners, van het dierenrijk, het plantenrijk, mineralenrijk en het mensenrijk. Tot in de kern van dit ALLES, de ziel van dit alles!

Alles is bezield, al wat leeft, in grofstoffelijke maar ook in fijnstoffelijke vorm. Wij zijn verantwoordelijk voor onszelf, maar ook voor onze medebewoners op aarde en in de sferen er rondom. Zolang we openstaan voor het positieve in alle mensen en andere bezielden, komen we er al snel achter dat we overal het goede ontmoeten.

Leven en laten leven. Zijn en laten zijn. Luister en spreek vanuit je ziel. Dan zul je dingen horen die het menselijke oor voorbij gaan. Onze gidsen die tot ons spreken. De Universele Muziek der Sferen. Alle tonen worden je gezonden als een boodschap van zijn. Al het bezielde tesamen geeft een prachtige intonatie aan trillingen en klanken weer. De planeten in ons zonnestelsel. Ons zonnestelsel binnen onze Melkweg. De Melkweg tussen al die andere Melkwegen in het Universum. En ons Universum tussen de Universa. Daar behoren wij toe,

Eén Groot Verenigd Zielenrijk!

 

01 Ik Die Ben

Kirkenes, Noorwegen, 1950

We woonden daar in een prachtig heuvelachtig landschap.
Bij het opstaan `s morgens voelde het alsof je een deel van de aarde was. Er bestond voor ons geen enkele twijfel over het feit, dat wij het privilege genoten, op het mooiste stukje van de wereld te mogen wonen. Als kind van vijftien wist ik, dat de kleurenpracht in de lucht, allerlei schakeringen paars en roze, iets zo speciaals was, dat het Heelal het toch wel heel erg goed met ons voor moest hebben, dat wij daar mochten wonen.
Hoe goed het Heelal het met mij voor had, zou al heel snel blijken.

“Doe je jas nou aan, straks missen we de trein nog.” We gingen met zijn vieren – mijn ouders, mijn zusje en ik – bij mijn oom en tante logeren in Murmansk. Tante was jarig geweest en het was al een behoorlijke tijd geleden, dat we elkaar in de armen hadden kunnen sluiten. Het leek mijn moeder een prima idee, om deze gelegenheid aan te grijpen, en af te reizen naar haar geboorteplaats.
Het kostte in die tijd nog al wat, om die lange reis te kunnen betalen en met twee kinderen op pad te gaan. Papa en Mama hadden echter alle extraatjes gelaten voor wat ze waren, om zo te sparen en met ons naar mama’s zus te kunnen gaan.

Het was voor mij een erg spannende onderneming. De tijd dat ik mijn tante al niet gezien had, kon ik niet plaatsen in enig perspectief. Mama zei wel dat ik een jaar of elf was toen, maar dat zei mij erg weinig. Voor mij was het al zo lang geleden. Het enige wat ik me van mijn tante kon herinneren was, dat ze altijd zo blij was om ons te zien. Dat ging dan gepaard met ettelijke knuffels, die je de adem benamen. Hoe ze er uit zou moeten zien, kon ik alleen nog maar afleiden van de fotootjes op de kast in de eetkamer.

Mama had maar één zusje. Ze had ook een broertje gehad ooit, die was dood gegaan voor dat hij nog maar kon lopen. Als ik mijn kleine zusje zou moeten missen. Haar nooit meer zou kunnen vasthouden en met haar wandelen langs het water van onze geliefde fjord. Daar zou mijn hart van breken! Als ik dat wel eens tegen haar zei, dan vertelde ze me dat ik geen medelijden met haar hoefde te hebben, want zij was zelf nog zo klein toen haar broertje dood ging. Het was allemaal al zo lang geleden gebeurd. Dat ging mijn jonge meisjes begrip te boven, maar als mama dat zei dan was dat gewoon zo.

Zo kwamen we, tegen de tijd dat het al weer donker begon te worden, op het station aan in Murmansk. Tante stond ons op te wachten, op het moment dat we uitstapten, kwam het vrouwtje van de foto op ons af. Met tranen in haar ogen knuffelde ze ons, als was het of ze ons in geen honderd jaar meer gezien had. Het was ontzettend koud in die tijd van het jaar. Voor ik nog maar bij kon komen van de indrukken, die ik op had gedaan tijdens de reis, zaten we al in de auto. Op weg naar ons logeeradres voor een week.

Hoofdstuk 01 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

02 Ik Die Was

Murmansk, Rossijskaja, 1950

We kwamen een straat binnen, die op niets leek wat ik ooit eerder had gezien. Aan elke kant van de straat stonden huizen, vergeleken bij onze woonomgeving zag ik dit als iets ongewoons. Bij ons stonden de huizen verspreidt over het landschap, niet rij aan rij aan elkaar vast. Vrij snel kwam ik er ook achter, dat er nog wel meer dingen anders waren dan thuis. Ergens in het midden van de linkse rij huizen stapten we allemaal uit. Mijn nichtje stormde naar buiten om de familie uit Noorwegen te begroeten. Zij was een paar jaar ouder dan ik en had in haar herinnering nog wel beelden, die hoorden bij wie wij waren. Na haar kwam er een verlegen kijkend jongetje naar buiten, die was nu vier. In de tijd dat wij tante voor het laatst hadden gezien, was zij zwanger. Hij wist niet wie die vreemde mensen waren, die in zijn huis zouden komen wonen.
Onze tassen werden in de hal gezet. We werden binnen verwelkomd door een man met een baard en een bril, die ik me niet kon herinneren als zijnde een familielid van mij. Later bleek dat mijn oom te zijn. Hij had een baard laten groeien, en na het lezen zijn leesbril blijkbaar nog niet afgezet.
Voor we iets zouden gaan drinken, werd ik door mijn nichtje gevraagd met haar mee te gaan naar boven. Ik zou die week bij haar op de kamer slapen. Zo werd aan ons allemaal verteld waar we onze spullen konden laten. Na het opbergen van onze bagage gingen we weer naar beneden, om wat te drinken en te eten. Het was een gezellig huis. Direct werd mij bij het binnenkomen duidelijk, dat ik hier wel eens een fijne tijd zou kunnen hebben.

`s Morgens vroeg, de ochtend na ons arriveren, wilde ik naar buiten, dat ging thuis ook zo. Zo lang als ik me kon herinneren had ik dat al gedaan. Net wakker en dan voor het ontbijt, lekker naar buiten frisse lucht inademen. Mama zei dat dit niet kon hier. Snappen deed ik daar erg weinig van, maar dit bleek een grote stad te zijn en bij tante thuis gingen ze `s morgens vroeg niet naar buiten. Ik moest me maar aanpassen, voor een week kon dat toch wel?
Dat leek mij nou echt niets, dat je niet zo maar naar buiten kon als je dat wilde. Maar ja, het was tenslotte maar voor een week en mijn nichtje was dus, naar mijn idee, veel slechter af dan ik.
Later op de dag wilde ik met mijn kleine zusje langs het water wandelen, “dat hebben we hier niet!” ‘Dat hebben we hier niet!’ dacht ik, ‘Dat is me ook wat zeg! `s Morgens niet naar buiten, niet langs het water kunnen wandelen. Wat deden zij dan eigenlijk wel?’ Dat werd me gaande weg duidelijk, doordat ik de komende dagen, de meeste tijd van de dag doorbracht met mijn nichtje.
Ze hielp mee in het huishouden, speelde kaart met haar vader en moeder. En fantaseerde enorme verhalen, over de jongen van haar dromen, die haar levenspad echter nog niet gekruisd had.
Al snel vond ik haar dus een saaie meid, die mij niets te vertellen had waar ik naar zou willen luisteren. Thuis was ik de meeste tijd buiten, aan het water met vriendinnetjes. Op zoek naar meer plaatsen om gezellig te kunnen zitten. De afwas doen en zo dat hoefde ik niet, als ik mijn kamer maar opgeruimd hield, dan was het goed. Thuis konden we genieten van de natuur met al haar pracht. En van de dieren die we zagen, als we heel stil deden en hen het idee gaven dat we er niet waren.
Zo leerde ik daar wel allerlei kaartspelletjes. Mijn oom en tante deden echt hun best het ons naar de zin te maken, dat lukte dan ook. Mijn neefje zat meestal stil in een hoekje iets te tekenen, of in prentenboekjes te bladeren. Echt veel hoogte kon ik van het jochie niet krijgen. Met het ontrafelen van hoe mijn Russische familie nou eigenlijk was, en wat ik van hun manier van leven nou eigenlijk vond in die grote stad, vlogen de dagen voorbij.

“Morgen heel vroeg gaan we weer naar huis. Pak je vast je spullen in je tas, dan is dat maar gebeurd,” zei mijn moeder op een middag. ‘Jee, te gek morgen naar huis, terug naar het water en de heuvels. Zouden mijn vriendinnetjes me gemist hebben? Lekker weer in mijn eigen bed slapen,’ dat leek me het fijnste dat me kon gebeuren. Zodra mijn moeder me vroeg om mijn spullen te gaan pakken, ging ik dan ook direct naar boven, om de kamer van mijn nichtje op te stormen. Die zat, sinds een paar dagen, al niet meer op mijn gezelschap te wachten. Volgens haar was ik maar een puber, die nog niet wist waar het in het leven om draaide. Hoe kon het ook als je opgroeide in een dorp!
Wat ze ook van me vond en van ons leven in Kirkenes, mij deed het niets. Niet wetend wat me te wachten stond, gooide ik in mijn enthousiasme de deur open om mijn tas te gaan pakken. Nu ik wist dat we weer naar huis gingen, kon het mij niet snel genoeg gaan allemaal. Als in een wervelwind stond ik ineens binnen. Ze schrok enorm. Ik zag dat ze in haar schrikreactie heel snel iets wegstopte. Dat wekte direct mijn nieuwsgierigheid. Niet dat ik dat overduidelijk liet merken. Ze had dus iets te verbergen en ik wilde dolgraag weten wat dat was. Poeslief deed ze ineens, of ze me kon helpen mijn spulletjes bij elkaar te zoeken en aan te geven, zodat ik ze kon inpakken. Dat was nog eens een ommekeer in haar manier van doen van de laatste dagen. Ik vond het best. Ik had niets te verbergen in tegenstelling tot haar, zoals het er net naar uitzag. Ze kende mij echter niet goed genoeg, om te weten dat als ik in de gaten had dat er iemand geheimen had, ik ze maar al te graag te weten wilde komen. Daarom had ik ook nooit geheimen.
`s Avonds na het avondeten moest ze helpen met afwassen. Ik zei dat ik even naar boven ging, om te kijken of ik alles al in de tas had zitten. Zo snel als ik kon liep ik op haar bureau af, om in de laden te zoeken naar iets wat niet door de beugel kon. Van alles kwam ik er in tegen, maar niet iets waarvan ik vond dat het een geheim waard was. Wel zag ik een fotootje dat mijn aandacht trok. Een man in een lange jas, met zijn linker arm geleund op een piano. Een zwart-wit vodje papier was het in mijn ogen. Wel wist ik op het moment dat ik het in mijn handen had, dat het hier om ging. Dat was nou vervelend dat we morgen al naar huis gingen. De tijd zou te kort zijn, om er nog achter te komen wat er nou eigenlijk aan de hand was met die foto.
Beneden kwam ik echter terecht in een woordenwisseling tussen mijn nichtje en mijn oom. “Jij altijd met je gefantaseerde verhalen over een vent die allang dood is. Waar haal je het vandaan om verliefd te worden op iemand die je niet eens gekend hebt. Wanneer dringt het nou eens tot je door dat je hier niet langer mee kunt doorgaan!”
Wat was dat nou voor een vreemd verhaal, waar hadden zij het nou over? Mijn moeder zat ietwat beschaamd te kijken, dus zij wist waar het over ging. Dat was interessant. Het was echter blijkbaar niet de bedoeling geweest dat ik hier iets van opving. Voor mij was het zo klaar als helder water, dat de verhalen, die ze tegen mij ophing over haar droomprins, gingen over iemand die ze dus niet eens meer tegen kon komen. Want die was al dood. Erg vreemd allemaal.
Tot dat er bij mij een lampje ging branden en ik in begon te zien, dat de man op dat kleine fotootje wel eens de persoon kon zijn waar het hier om ging. Of het zo moest zijn, zei mijn nichtje nog even, “Vader je zult wel altijd boos op me blijven, maar dat komt omdat je het gewoon niet snapt. Ik ken hem namelijk wel. Ik ken hem omdat ik zijn muziek ken! Je hebt dan wel zijn fotootje weggegooid, maar zijn muziek kun je me niet afpakken want die zal altijd blijven bestaan!”
‘Foto weg gegooid,’ dacht ik. ‘Dat zal wel. Die man maakte dus muziek. Hij was al dood gegaan en mijn nichtje was tot over haar oren verliefd op die man, wat een belachelijk verhaal en zij wist waar het in het leven om draait? Ja hoor! Het is maar wat je leven noemt.’
Mijn oom wist dus niet beter, of hij had geprobeerd een einde te maken aan de idioterie van mijn nichtje, door die foto weg te gooien. Die foto echter, die was er nog en dat wist ik. Zou mijn oom daar lucht van krijgen, dan zwaaide er wat. Dat was me wel duidelijk. Mijn besluit stond vast. Ik wist dit en mijn nichtje wist dit en dat moest zo maar gewoon blijven. Wat kon mij het nou helemaal schelen dat ze zo nodig verliefd moest zijn op een dood iemand. Dat was haar probleem …
Ik zou morgen toch naar huis gaan en haar geheim mooi meenemen. Niemand hoefde dat wat mij betrof te weten. Nu ik dit gehoord had, wilde ik die foto toch nog wel eens bekijken.
`s Avonds verzon ik de smoes, dat ik vroeger naar bed wilde gaan, omdat we morgen al heel vroeg op moesten voor onze terugreis. Mijn ouders keken me nogal vreemd aan, wetende dat ik er thuis alles aan deed, om zo laat mogelijk naar bed te kunnen. Dit was duidelijk niets voor mij, maar ze lieten het voor wat het was. Met een ‘welterusten allemaal’ zocht ik mijn bed op.
Nadat ik mijn pyjama had aangedaan, ging ik op zoek naar de foto. En jawel, hij lag er nog. Wie was die man dan toch wel geweest en hoe kende zij zijn muziek. Ik kende bijna geen muziek. Zo nu en dan als mijn moeder door het huis liep te zingen, kwam ik in aanraking met muziek, maar dat was het dan ook.
Al nadenkend en overpeinzend stond ik die man op die foto in me op te nemen. Plots ging de deur open en mijn nichtje kwam ineens binnen. Ze zag dat ik haar geheim had ontdekt. Haar gezicht werd rood en ze stormde op me af, om de foto uit mijn hand te trekken. Niet wetende dat ik alles al op een rijtje had gezet en besloten had dit nooit aan iemand te vertellen. Ik trok mijn hand terug, zodat ze de foto nog niet te pakken kon krijgen. Zo graag wilde ik haar gerust stellen, dat ze niet bang hoefde te zijn. Voor ik goed en wel mijn mond open kon doen, kreeg ik een ferme duw en verloor ik mijn evenwicht. Toen werd alles zwart.

‘Oh ja ik was gevallen. Hé, ik moet even buiten bewustzijn zijn geweest. Wat is dat voor gegil! Mijn nichtje. Waarom gilt ze zo? Wat is er gebeurd? Waarom kijkt ze niet naar mij? Waarom blijft ze maar gillen en naar de grond kijken?’
Mijn blik ging als vanzelf naar de plaats waar zij naar keek. ‘Hè? Daar lag ik! Hoe kan dat nou, ik sta toch hier? Ik bloed uit mijn hoofd.’ Ik wil aan mijn hoofd voelen. ‘Wat gaat dat licht. Mijn armen voelen zo licht. Hé! Wat is dat voor Licht? Dat komt op mij af! Het zijn mensen, die ik nog nooit gezien heb. Maar ze zijn anders dan gewone mensen. Het lijkt alsof ze van Licht gemaakt zijn!’ Maar toch zijn het mensen. Ik zie die mensen alleen, want mijn nichtje kijkt niet naar ze om! ‘Hoe kan dat nou, dat ik ze wel zie, maar mijn nichtje niet?’

Eén van die Lichtmensen komt dichter bij. Ik kijk weer naar mijn nichtje maar die reageert er niet op! Hij komt dus echt naar mij, voor mij? Het is een mooi Lichtmens met een lief gezicht en met een zachte stem zegt hij: “Kom maar met mij mee.” “Nee, dat kan niet, we gaan morgen naar huis en ik moet mijn nichtje geruststellen, dat er niets met me aan de hand is. Dat ze niet zo hoeft te schreeuwen,” reageer ik verbaasd.
“Ze zal je niet kunnen horen en er is wél wat aan de hand. Je bent met je hoofd tegen de hoek van het bureau gevallen. Je bent, zoals de mensen dat noemen ‘dood’.
“Dood? Hoezo dood? Ik ben er toch nog steeds. Jij ziet mij toch ook?” “Ja, ik zie jou wel, maar dat komt doordat ik uit het Zielenrijk kom. Jij bent ook in het Zielenrijk terecht gekomen. Alle mensen die dood gaan komen in het Zielenrijk.”

Ik zag mijn moeder en mijn tante op het geschreeuw van mijn nichtje af komen, en zich over mijn lichaam buigen. Waarop mijn moeder ontzettend begint te huilen en mijn hoofd optilt en op en neer wiegt. Ik probeer haar aan te raken, en dat lukt wel alleen zij schijnt het niet te voelen. ‘Wat is dat nu allemaal?’

De Lichtmens die al eerder wat zei zegt dan: “Kom maar met mij mee, jouw leven zit erop voor deze keer. Kom, ga nou maar mee. Er is voor jou een andere plaats waar ze op je wachten. Wees maar gerust alles komt goed.” Hij stak zijn hand naar me uit. Ik keek nog een keer naar mijn moeder en legde mijn hand in de zijne. Dat voelde fijn, dat voelde zacht en vredig. Dat voelde alsof het zo hoorde te zijn. Ik gaf me over aan zijn weten en wist dat het inderdaad goed zou komen. Wat ik me er bij voor moest stellen wist ik niet. Hij nam me mee naar een plaats, die in mijn fantasie nooit had kunnen bestaan. Zo mooi! En alles voelde er zo goed, zo vredig, het was alsof ik er thuis kwam …

Hoofdstuk 02 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

03 Voor Hem Ben Ik

Mji Mkongwe, Zanzibar, Tanzania, 1950

“Farrokh, Farrokh ga je mee? Kom we gaan naar huis. Het is tijd om te eten. De zon gaat zo onder. Morgen kun je weer op het strand spelen, voor vandaag houden we het voor gezien.” Met tegenzin stopt hij met het bouwen van zijn zandkasteeltje. Zolang als hij daar zichzelf en zijn moeder vermaakt heeft op het strand, heb ik naast hem gezeten. Alleen, hij ziet me niet. Ik ben constant in zijn omgeving, maar hij ziet me nooit. Dat is maar goed ook. Het zou zijn jonge leventje alleen maar onnodig ingewikkeld maken.

Het heeft me best wat moeite gekost om in te zien dat ik ‘dood’ was. Vader, moeder en mijn kleine zusje konden me niet meer zien. Dat was onaanvaardbaar op dat moment. Ik kon niet meer met ze praten. Ik zag hen wel, maar zij mij niet. Ik hoorde hen wel, maar zij mij niet. Ik kon hen wel aanraken alleen ze voelden het niet. Toch kon ik daar na een tijdje afstand van doen en mijn nieuwe taak op me nemen.
Naar Afrika zou ik gaan. Er was daar vier jaar eerder een jongetje geboren. Die zou ik gaan begeleiden. Er werd me verteld dat er voor hem een glansrijke muzikale toekomst was weggelegd. Hij moest dus op een gemakkelijke manier door zijn jonge leven kunnen gaan. Tot hij de plaats bereikt zou hebben, waar zijn loopbaan vorm aan zou beginnen te nemen. Als hij de start gemaakt zou hebben, tot dan zou het in mijn taak liggen, zijn begeleider te zijn. Zo werd ik Farrokh’s ‘beschermengel’.

Wat een beschermengel is, was me al verteld. De oudste van de groep Lichtmensen die me op haalde na mijn overlijden had me dat uitgelegd! Ik vroeg hem ook waarom zij juist degene waren die me op waren komen halen! Hij vertelde met enorm veel liefde in zijn stem: “Je hoort bij ons. Deze groep hoort bij elkaar en we komen elkaar steeds tegen. Elk leven weer. Soms komen we elkaar tegen op aarde en soms zijn we ook elkaars beschermengelen!” Hij vertelde ook dat de mooie verlichte ziel die mij als eerste toesprak na mijn overlijden, mijn beschermengel was geweest tijdens mijn leven in Noorwegen. Hij en nog een paar anderen. Maar hij intrigeerde me het meest van allen. Het was alsof hij een soort magneet was, zo werd ik naar hem toegetrokken. Maar ik had zoveel dingen te doen en te leren en naar te luisteren, dat het leek alsof ik geen tijd kon vinden en krijgen om tijd met hem door te brengen!
Aan die mooie Verlichte ziel vraag ik dan: “Als jij dan mijn beschermengel was, waarom kon jij dan niet voorkomen, dat ik daar met mijn hoofd tegen die punt van dat bureau viel?” Dat mocht hij niet doen. Ik had er voor ik geboren was voor gekozen om maar vijftien te worden. Daar begreep ik maar weinig van. Hij, en een nog lichter, verlichter wezen, hebben mij toen door mijn levensloop geloodst, om terug te kunnen kijken naar mijn laatst genoten leven op aarde.
Wat ik me eigen wilde maken in dat leven, en waarbij ik mijn vader en moeder nodig had gehad. Wat ik uit wilde werken. Door goed te kijken en te volgen wat zij bedoelden, ging ik inzien waar het allemaal om te doen was geweest. Dat ik voor dat leven inderdaad klaar was, ook al was ik nog maar vijftien.

De taak Farrokh’s begeleider te worden, nam ik erg graag op me, want er was mij ook getoond wat wij in eerder genoten levens op aarde voor elkaar betekend hadden. Dat was niet gering.
Farrokh zou binnenkort naar school gaan. Aan mij de taak om die overgang, van vrij jongetje op het strand en altijd buiten, naar een schoolgaande jongen, zo prettig mogelijk te laten verlopen.
Farrokh’s vijfde verjaardag zat er aan te komen. Daarna zou het vrije leventje er voor hem opzitten, en moest hij gaan leren lezen en schrijven. Daar had hij vrij weinig zin in en zag er bovendien het nut nog niet van in. Niet dat het er verder iets aan af zou doen, gaan moest hij toch.

Zo was daar ineens de dag dat hij naar een zendelingenschool gebracht werd, waarvan alle leraressen Engelse nonnen waren.
“Hallo Farrokh welkom op school. Zullen wij eens een fijn plaatsje voor jou uitzoeken? Ken je misschien al iemand hier? Dan mag je daar ook naast gaan zitten als je dat fijn vindt.” Dat maakte op hem een prettige indruk, zo vervelend zou het dan misschien toch niet worden. Dit maakte dat hij haar op slag aardig vond. Hij nam de situatie in zich op. De ruimte met landkaarten aan de wand. Stoelen met bankjes en een grote tafel voor een bord, waar dingen op getekend stonden. Zo zag hij ergens in het midden een speelkameraadje van hem zitten.
‘Hé daar zit Gadhir, daar wil ik wel naast zitten,’ hoorde ik hem denken. “Ik heb al iemand gezien waar ik wel naast wil zitten mevrouw. Mag dat?” “Ja natuurlijk! Kom maar, geef mij maar eens een handje en wijs me de weg maar. Waar wil je zitten?” Glunderend naar Gadhir wijst hij de plaats naast hem aan. Wat onzeker nog neemt hij plaats. Zoekend naar zijn moeder die nog voor in het lokaal stond. “Hé, maak je maar geen zorgen hoor. Straks mag je gewoon weer naar huis en je mama komt je dan wel halen. Hè mama?” zegt de vriendelijke religieuze, vragend tegen Farrokh’s moeder. “Natuurlijk jongen, ben maar niet bezorgd. Veel plezier, tot straks.”
Met die woorden loopt ze op hem af, kust hem gedag en loopt het lokaal uit. Wat Farrokh niet wist, en zijn moeder ook niet liet blijken, was dat zij het net zo moeilijk had als hij nu. Nu ze hem ineens niet meer de hele dag om zich heen had. Ze miste hem al op het moment, dat ze de deur van het lokaal achter zich dicht trok.

Daarmee begon Farrokh’s eerste dag op school. Ik ging achter hem staan, om zo goed mogelijk zijn gemoedstoestand aan te kunnen voelen. Ik legde mijn handen op zijn schouders, om hem een rustig gevoel te geven. Niet dat hij daar erg in had natuurlijk. Het was zeker op deze eerste dag erg belangrijk, dat hij zich zo snel mogelijk op zijn gemak voelde. Dit was voor mij ook iets nieuws, maar gelukkig stond hij, zo jong als hij was, open genoeg om mijn liefdevolle energiestroom op te nemen. De nacht ervoor had hij namelijk zo lang wakker gelegen en liggen piekeren over het naar school moeten gaan. Hij was zo bang dat hij heimwee zou krijgen.
Het was een dappere strijd die hij streed in zijn eentje, in het donker, en ik mocht op dat moment niets voor hem doen. Vanaf het eerste begin dat ik zijn begeleider werd, hield ik van dat kleine, mooie, bruine jongetje, met zijn bijna zwarte ogen. Het is soms zo moeilijk om hem te horen piekeren en de jonge jongens pijntjes in zijn ogen te zien, en niets te mogen doen. Fouten moet hij maken om te kunnen groeien en zelfvertrouwen te krijgen. Niet dat het hem daar van naturen aan ontbrak. Iedereen in zijn omgeving was erg op hem gesteld. En als je maar vaak genoeg te horen krijgt hoe lief je bent, doet dat je zelfvertrouwen alleen maar groeien.
Het feit dat Gadhir in het zelfde klasje als hij terecht was gekomen, was een heel goede zaak. Er was aan de religieuzen gevraagd of ze dat zo wilden regelen. Gelukkigerwijs waren zij zo aardig en meevoelend, dat ze dit ook zo voor elkaar brachten. Na even gewend te raken aan het niet kunnen doen wat hij zelf wou, en het moeten luisteren naar iemand die hij nog niet kende, bleek hij het erg leuk te vinden om naar school te gaan.
Erg eenkennig was hij niet. Thuis liepen er genoeg bediendes rond waar hij ook naar moest luisteren als vader en moeder er niet waren. Vader was er ‘s morgens nooit, want dan was hij aan het werk op de rechtbank. ‘s Middags ging hij met vader en moeder wel eens naar de tuinen, bij het museum van Zanzibar. Daar kwam hij erg graag. Als ze niet uitgingen, maar hem sprookjes vertelde uit Duizend-en-één-nacht, over prinsen, zeerovers en geesten, waande hij zich in een paleis, waar hij alles echt beleefde wat ze hem voorlazen. Een erg ruime fantasie was hij rijk. Iets dat hem in zijn latere leven nog erg goed van pas zou komen. Zo ook zijn enorm grote inlevingsvermogen waar het andere mensen hun gevoel aanging.
Op het moment dat zijn mama hem vertelde dat ze zwanger was, was hij erg blij dat hij een broertje of een zusje kreeg. Maar hoe blij hij ook was, hij was even zo bezorgd om zijn mama.
‘s Morgens was ze wel eens ziek en dat vond hij heel erg voor haar. Hij snapte niet dat braken soms bij zwanger zijn hoorde en dat zijn mama dat niet erg vond.
Het leven ging gewoon zijn gangetje. Elke dag ging hij naar school, waar hij het echt fijn was gaan vinden. Later op de dag speelde hij met zijn kameraadjes op het strand. Naarmate de maanden verstreken, zag hij zijn moeders buik dikker worden. Met het groeien van haar buik nam Farrokh’s nieuwsgierigheid steeds meer toe. ‘Zou de baby het fijn vinden in mama’s buik? Wanneer gaat het er eindelijk eens uitkomen?’ hoorde ik hem wel eens denken. Dat vertederde me enorm. Zo een kleine jongen, die zich zo bezighield met het welzijn van dat kleine mensje in zijn moeders buik.

Gedurende de twee jaar na de geboorte van zijn zusje, wierp Farrokh zich op als de beschermengel van Kashmira op aarde. Hij speelde met haar, hielp haar eten geven en tegen de tijd dat ze kon lopen, nam hij haar regelmatig mee uitwandelen. Trots als hij was op zijn zusje, wilde hij dat al zijn vriendjes en vriendinnetjes zagen wat voor een lief zusje hij had, en nam haar overal mee naar toe. Dit kon allemaal wel op Zanzibar, daar het een rustig eilandje was. Er heerste een hechte gemeenschap onder de bevolking.

Hoofdstuk 03 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

04 Met Hem Ga Ik

Panchgani, Maharashtra, India, 1955

Vader kwam thuis, van een twee maanden durende werkperiode. Na een korte rustpauze van een paar weken, riep hij Farrokh op een avond bij zich. “Farrokh als je zo meteen klaar bent met je schoolwerk, kun je dan even bij me komen zitten,” vroeg zijn vader aan hem, terwijl hij in de deuropening van de studeerkamer zijn zoon stond te observeren. “Oké, pap nog een paar regels schrijven, dan kom ik er aan.”
Even later vergezelde hij zijn vader in de huiskamer, “Pap moet je me iets ergs vertellen of zo?” terwijl hij dat vraagt, sta ik al achter hem. “Waarschijnlijk ga je dit niet direct leuk vinden nee,” het ging zijn vader niet gemakkelijk af, hem te vertellen wat de plannen waren die voor hen lagen.
“De volgende keer als ik op de boot stap, om weer te gaan werken, ga jij met me mee naar India.” “Jee mag ik dan op vakantie bij oma en opa, of bij tante Sheroo?” Ik voelde zo ontzettend met hem mee. Hij dacht dat dit een gezellig uitje ging worden van een paar weken. Al het liefdevolle dat ik hem geven kon, straalde ik op hem in op dat moment. Op dat moment en zolang het nodig was, om hem in zijn verdriet en verwarring bij te staan.
“We hebben een plaats voor je gevonden op een internaat in Panchgani, vlak bij waar opa, oma en je tante wonen,” begon zijn vader, zo rustig als hij kon, te vertellen. “Een internaat? Wat is een internaat pap?” vroeg hij zijn vader, al behoorlijk in verwarring gebracht. “Een internaat is een groot huis, waar allemaal jongens bij elkaar wonen. Die gaan allemaal naar dezelfde school en omdat het ver van huis is, wonen ze ook daar,” probeerde hij hem uit te leggen, tevens het gezicht van zijn zoon nauwlettend in de gaten houdend. “Waarom moet ik in India naar school? Ik ga hier toch al naar school?”
“Luister jongen,” ging zijn vader verder, “als het anders kon, als er op Zanzibar een goede school voor je was om naar toe te gaan, dan zouden we je hier houden.”
“Is de school waar ik nu op zit dan geen goede school?” “Jawel,” vervolgde zijn vader “maar je moet meer leren om straks werk te kunnen vinden als je ouder bent. Hier kunnen ze je niet meer leren jongen dan lezen, schrijven en rekenen. Ik hoop dat je dat kunt begrijpen!” “Ik denk van wel pap,” zei hij om zijn goede wil te tonen. Ik merkte echter de verwarring en de pijn, die door zijn hoofd gingen. Hij werd er helemaal stil van.
‘Maar zie ik Kashmira dan nog wel ooit? En mama en Gadhir? Papa zal ik wel zien, want die werkt tenslotte in India. Opa en oma zie ik bijna nooit, die ga ik nu dus vaker zien. Tante Sheroo ook, dat is wel fijn eigenlijk. Maar ik blijf liever hier bij mama en Kashmira,’ dat ging er allemaal door dat lieve jongenshoofd. Het enige dat ik kon doen was mijn liefde en energetische steun geven. Dat terwijl hij niet eens wist dat ik er altijd voor hem was. In feite had hij daar, al had hij het geweten toch niets aan. Het enige wat ik kon doen was mijn begeleidende best, en dat was wat ik ook deed. Meer mocht ik helaas niet voor hem doen.
Buiten het feit dat ik ontzettend met hem mee voelde, wist ik wel dat in India de basis gelegd zou gaan worden, voor zijn latere loopbaan. Een loopbaan waarin hij bekend zou worden over de hele wereld. Een prestatie zou gaan leveren die zijn weerga niet zou kennen. Tijdens zijn leven niet, en heel veel later, nadat zijn taak erop zou zitten, nog niet.

Na een reis van twee weken met de boot kwam Farrokh, op acht jarige leeftijd, aan in het grote India. Ze meerden in Februari 1955 aan in Bombay, waarna ze nog ongeveer 240 kilometer moesten reizen, om in Panchgani te kunnen arriveren. Hij had ontzettend genoten van de bootreis. Het vooruitzicht dat hij steeds als hij naar huis, terug naar Zanzibar, zou gaan voor een vakantie, mocht gaan varen, deed hem enorm veel plezier. Moe van het reizen over zee en land, kwam hij aan op St. Peters. Zijn nieuwe thuis en school. Een groot statig gebouw van drie etages. Met een imposante eiken houten deur, onder een mooie gotische boog. In een straat, waar aan weerszijden weelderig getakte bomen stonden, waarvan het gebladerte stond mee te deinen op de middagbries.
Nu Farrokh voor de trap van het St. Peters Internaat stond, begon hij het wel benauwd te krijgen. Zijn vader zag wat hij doormaakte, en spoorde hem liefdevol aan naar de voordeur te lopen. Door de hand van zijn vader op zijn schouder, werd hij zich bewust van het feit dat hij had staan peinzen. ‘Wat zal er achter die deuren zijn? Zullen de leraren hier net zo aardig zijn als de nonnetjes in Zanzibar? Zal ik hier wel vriendjes vinden? Wanneer zal ik mama en Kashmira weer zien?’ zonder er bij na te denken, tastte hij naar de hand van zijn vader. Die pakte hij stevig vast en samen liepen ze de trap op. Daarna drukte hij dapper op de bel, rechts naast de grote eiken houten deur.

De deur ging open, er verscheen een oudere man, met een vriendelijk gezicht. Hij droeg een grote rond gedraaide, witte tulband om zijn hoofd. Op uitnodiging van de man betraden ze de ruime, koele vestibule.
“Kom binnen, welkom op St.Peter’s.” Nadat Farrokh zijn tassen, en zijn vader de koffer op de grond hadden gezet, werden ze vriendelijk uitgenodigd om verder te komen. Ze werden binnen gelaten in de ontvangstruimte van het internaat. “Neem plaats de thee wordt zo geserveerd,” waarop de man naar Farrokh kwam gelopen, en een hand naar hem uitstak, “Jij moet Farrokh zijn. Ik ben Shivar de portier. Ik ontvang alle nieuwe kinderen en maak als eerst kennis met ze. Ik mag je straks ook het gebouw laten zien, en je kamer wijzen.”
De beste man stelde Farrokh direct op zijn gemak, de gespannenheid waarmee hij was aan gekomen begon langzamerhand, beetje bij beetje weg te ebben. Er werd geklopt op de deur. Er kwam een jongere man met een baard binnen, Met een serveerwagentje waar een dienblad op lag. Een mooie zilveren theepot sierde het dienblad. Het servies was even smaakvol.
Met het inschenken van de thee, sprak de man tegen Farrokh’s vader over de gang van zaken binnen het internaat.
Zo hoorde Farrokh dat hij in december pas voor het eerst vakantie zou krijgen. ‘Dat is pas over twee maanden, Wat als het hier nou helemaal niet leuk blijkt te zijn, dan moet ik hier dus wel mooi blijven. Dat vind ik dus niks. Daar kan ik maar beter niets over zeggen, dat vind vader vast niet leuk. Maar ja, ik ben nu hier en oma en opa wonen dicht in de buurt. Het zal best leuk worden, de vorige school vond ik ook leuk.’
Zo hoorde ik hem na een lichte paniek, langzaam weer zijn beheersing terug vinden. Dat vulde me met ontzettend veel trots en ik kreeg steeds meer respect voor deze dappere jongen.
Na alles duidelijk te hebben gemaakt over de gang van zaken, stelde Shivar voor, om een rondleiding te gaan maken door het gebouw. Allereerst gingen ze naar de kamer, waar Farrokh zijn slaapplaats zou krijgen. Tot zijn verwondering waren zijn tassen en koffer al naast zijn bed gezet. “Die kast daar mag je helemaal zelf indelen. Dat kun je straks doen, als je alles hebt gezien en je vader weg is.”
‘Papa gaat straks weer, dan ben ik alleen. Maar ja, papa moet ook weer gaan werken. Die is dus eigenlijk ook altijd alleen in India, zonder mama en Kashmira. Als papa dat kan, dan kan ik dat ook!’ dapper praatte hij op zichzelf in.

Wat hij dan nog niet wist was, dat hij het inderdaad erg leuk ging vinden op St. Peters. Farrokh had er de tijd van zijn leven. Er waren daar sportvelden en zalen. Hele ruime frisse lokalen en talloze jongens om vrienden mee te worden. In korte tijd leerde hij heel erg goed boksen en tafeltennissen. Tafeltennissen deed hij overigens het liefst van alles. Hij deed dit met zo een genoegen en inzet, dat het de meesten moeite kostten het van hem te winnen. Lange afstand rennen kon hem gestolen worden. Sprinten deed hij wel graag en al snel sprintte hij iedereen eruit tijdens de atletiekwedstrijden. Zijn jongens hart zwol van trots, op de dag dat hij een enorme trofee in zijn armen gedrukt kreeg. Hij was de beste junior allrounder van het internaat. Vader en moeder Bulsara waren enorm blij dat hun jongen het zo goed deed in het verre India. Tot moeder te horen kreeg dat Farrokh regelmatig te vinden was in de boksring, schreef ze hem een brief met de vraag of hij daar alsjeblieft zo snel mogelijk mee wilde stoppen. Het idee wat haar jongen allemaal wel niet kon overkomen, vervulde haar met afgrijzen. Ze zag hem al in één of andere hospitaal liggen met gebroken botten en zijn gezicht helemaal aan gruzelementen.
Ook tekende hij graag en bleek heel erg muzikaal te zijn. Dat hadden ze in Zanzibar niet kunnen vermoeden. De nonnetjes zouden trots op hem zijn geweest.
Het hoofd van het internaat stelde voor om pianolessen te nemen, en verder nog theoretische muzieklessen. Daar had Farrokh wel zin in. De man schreef daarom een brief naar huis. Of zijn ouders er genegen toe waren wat meer te betalen, om Farrokh die extra lessen te kunnen geven. Daar waren ze meer dan genegen toe, en zodoende lieten ze hun zoon kennis maken met muziek.
Hij kreeg pianolessen, al ras behaalde hij de vierde graad in het spelen van de piano, en de bijbehorende theorie. Het verging hem zo ontzettend gemakkelijk. Het schoolkoor wilde hem graag hebben, om zijn zuivere hoge stem. Tevens speelde hij toneel in theaterstukjes. Later, toen hij behoorlijk zijn weg aan het banen was naar de muzikale top, keek hij nog altijd met veel plezier terug naar zijn tijd op St. Peters.

Hoofdstuk 04 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

05 Gelijktijdige Verwantschap

Terwijl Farrokh uitgroeide tot een standvastige tiener, had ik zelf ook nog het nodige te doen. Regelmatig was ik in het gezelschap van een paar intelligenties die mij als begeleider bezig wilden zien. Eén van hen was de mooie Lichtmens die mij op kwam halen, toen ik mijn laatst genoten leven op aarde afsloot. Vrij snel nadat ik over was gegaan, kwam ik er achter dat wij zeer nauw verbonden zielenmaatjes zijn van elkaar! Vrienden voor leven na leven na leven.

Tussen al die zielen die in mijn buurt rondwaarden, was hij degene waar ik het liefst contact mee wilde hebben. Zoals je het liefst altijd weer terug wilt keren naar de moederschoot. Hij voelde als mijn enige echte thuis, degene waar ik me het liefst mee vereenzelvigde. Maar het bleek niet de juiste tijd om me te vereenzelvigen met hem. En op een vreemde manier bleek hij dat te begrijpen allemaal als een soort tweede natuur. Hoe dan ook bleef hij in mijn buurt tot dat hij zou gaan beginnen aan zijn volgende incarnatie. Hij volgde me op een afstand op de voet waar ik ook ging! Hij was me zo speciaal omdat er van hem een soort nooit eindigende liefde voor mij uitstraalde.
Door de ziel, die mij begeleidde in het kijken naar mijn laatst genoten leven op aarde, werd me verteld dat die mooie verlichte jongen me observeerde steeds, omdat hij die tijd die hij nu in mijn buurt door kon brengen graag wilde benutten.
Ik echter kon en mocht niets voor hem doen in de tussenliggende tijd. Eerst had ik karmisch dingen rond te maken met mijn lieve Farrokh. En ten tweede behoorde ik me bewust te worden van dingen die ik nodig had om in te gaan zien wat ik me in mijn komende incarnatie weer eigen moest maken. Het Rad van Karma maakt nu eenmaal omwentelingen die je niet kan overzien. Dus kon ik enkel de liefde voelen en aanvaarden en hem diezelfde liefde terugzenden. Dat was wat we konden en mochten doen met elkaar en voor elkaar, in die tussenliggende tijd.

Met mijn zielenmaatje waarden ik samen rond in verschillende sferen rond de aarde, op de momenten dat ik Farrokh even aan ‘zijn lot moest overlaten’. Hij vertelde me tijdens één van deze gezamenlijke reisjes dat het binnenkort tijd voor hem ging worden, om aan een volgend leven op aarde te beginnen.
‘Ga je met me mee naar Europa? Ik wil je de man laten zien die mijn vader gaat worden.’ ‘Europa? Ga jij geboren worden in Europa? Waar precies?’ zond ik hem opgetogen, via gedachtegolven, terug. ‘In Nederland ga ik deze keer leven,’ deelde hij me mee.
‘Mijn volgende incarnatie is ook in Nederland. Laten we elkaar dan gaan tegenkomen op aarde, tijdens onze komende levens?’ Dat vond hij karmisch wel verantwoord. Een vlaag van liefde golfde er door me heen op dat moment. Ik omhelsde hem maar weer eens, voor de zoveelste keer in de afgelopen duizenden jaren. ‘Kom,’ seinde hij.
Terwijl we ons voorbereidden, legde hij in het kort zijn komende gezinssituatie aan me uit. ‘De mensen die mijn ouders worden hebben al drie kinderen. Ik word hun vierde kind en ik word geboren als jongen.’
We concentreerden ons op Europa, Nederland. We kwamen uit bij een zaal waar een jongenskoor, uit volle borst, stond te zingen. De precieze plaats werd door hem bepaald, ik ging in zijn energiestroom mee. “Zie je die man daar, die kleine man met dat zwarte haar. Dat is hem, dat wordt mijn vader.’
Op het moment dat ook mijn aandacht uitging naar zijn toekomstige vader, stopte het koor met zingen. De man zelf zette zijn solozang in. Een prachtige stem had hij.
Mijn zielenmaatje vervolgde zijn verhaal door te zeggen, dat hij zich tijdens zijn volgende incarnatie, verder wilde gaan ontplooien in de muziek. Daarom wilde hij in dat gezin geboren worden. Ook omdat hij in zijn laatst genoten leven op aarde geen broers of zussen had. Maar dat wist ik al. Ik was een groot gedeelte van dat leven zijn gids geweest.

“Zeg vriend als jij dan ook geboren gaat worden in Nederland, laten wij elkaar dan tegen gaan komen. Zullen wij die karmische afspraak maken samen?’ Dat bracht hem enigszins uit evenwicht. Elkaar tegen gaan komen is één maar daar een vaste afspraak over maken, is wel even iets anders. Hij vroeg me dan ook waarom.
‘We zijn al zo vaak elkaars begeleiders geweest. We behoren toch in ieder geval die stap een keer te maken, en ik geloof dat we er nu wel klaar voor zijn. Dat geldt wel voor mij. Durf je het aan denk je?’
‘Jawel, dat durf ik wel. Maar in welke relatie zou je willen dat we elkaar dan tegemoet zullen gaan komen?’ ‘Nou, ik wil voor jou de beste vriend worden die jij je maar kan bedenken. Zullen we het zo doen? Daarmee bouwen we meteen nieuw, positief karma op voor een eventueel later leven.’
“Oh nee dat durf ik je niet te beloven, Ik ben veel te bang dat ik je teleur ga stellen. Stel dat ik in een situatie verzeild raak waar bijna geen ontkomen aan is. In mijn jeugd ga ik intens gekwetst worden, waardoor ik erg onstabiel in het leven kom te staan. Daar wil ik jou niet in betrekken, daarvoor hou ik veel te veel van jou. Ik zal menig dierbare gaan kwetsen en daar ben jij er dan ook één van. Daardoor zal ik me ook pas op latere leeftijd aan iemand kunnen binden. Als ik in ben gaan zien dat ik eerst met mezelf en het verleden in het reine moet komen.’ Daarmee bracht hij natuurlijk wel een erg realistisch punt naar voren.
‘Oké, dan maken we een halve afspraak. We gaan elkaar tegenkomen, dat staat vast. Als we elkaar ontmoeten en jij zit in een situatie waar heel moeilijk uit te komen is, dan zal ik je tonen dat op aarde, dezelfde liefdeswetten gelden als aan deze zijde. Die zijn onvoorwaardelijk en voor minimaal een leven lang. Wat je ook doet, waar je ook inzit, ik zal er voor je zijn. Ik zal je tonen dat ik van je houd, hoe dan ook.’
‘Dat is wel heel erg genereus van je. Je weet wat mijn levensles gaat worden. Denk je dat dan nog wel waar te kunnen maken?’
‘Nu nog niet, maar ik zal het me tijdens dat leven eigen maken. Dat wil ik leren. Ik heb aan deze zijde al meerdere malen getoond dat ik onvoorwaardelijk lief kan hebben. Dan is het in mijn volgende incarnatie mijn taak omdat op aarde waar te maken.’
Bij het maken van die afspraak waren we nog steeds boven Nederland, bij zijn toekomstige vader. Met de laatste tonen van de door hem gezongen Mattheüs Passion, keek hij me nog een keer vragend aan. Of ik het wel zeker wist? Ja, daar was ik zeker van. Zo zou het gaan wat mij betrof.
Dat was één van de laatste keren, dat ik aan deze zijde samen met mijn zielenmaatje op reis ging. We zijn daarna nog samen geweest, nadat ik gekozen had wie mijn ouders zouden gaan worden. Die hebben we samen nog bezocht omdat ik hem graag wilde laten weten, waar ik geboren zou gaan worden. Dit zou pas tien aardse jaren na hem zijn, want eerst zouden via mijn ouders mijn twee broers geboren gaan worden.
Vlak na ons laatste samenzijn vond de conceptie plaats tussen zijn ouders. We namen liefdevol afscheid van elkaar. Mijn lieve vriend werd daarna steeds verder naar de aardse dimensie toe getrokken. Negen maanden daarna werd hij geboren als jongen, in aardse jaartelling, het jaar 1956.
Een jaar na de geboorte van mijn zielenmaatje, trouwden mijn toekomstige ouders. Tijdens die gelegenheid was ik boven Nederland met nog twee andere zielen, die ik kende uit vorige incarnaties. Zij zouden mijn broers worden. Waarvan de eerste, twee jaar na mijn zielenmaatje, incarneerde. Anderhalf jaar na de trouwdatum van onze ouders.

In de vijf jaren die volgden was ik, buiten in Farrokh’s omgeving, een aantal keren samen met de intelligentie, die mijn tweede broer zou worden. Om toe te zien op het welzijn van onze al in incarnatie zijnde oudere broer. Niet als één van zijn begeleiders, maar uit interesse voor zijn ontwikkeling.
Tijdens één van die uitstapjes boven Nederland maakten wij kennis met een vrouwelijke ziel, intelligentie, die ons iets heel frappants wist te vertellen. Zij was eigenlijk onze grootmoeder. De moeder van onze toekomstige vader dus. Zij was echter komen te overlijden, in het zelfde jaar dat ik mijn laatste leven afsloot. In aardse tijd 1950 dus.

Na dat zij zeven jaar gekregen had om terug te kijken op haar leven en dit te verwerken, was zij één van de begeleiders van onze broer geworden. Dientengevolge kwamen we haar dus ook tegen in zijn omgeving.

Naar gelang ik langer aan deze zijde vertoefde, begon ik steeds meer kijk te krijgen op afstand en tijd. Afstand bestaat aan deze zijde niet, het is er gewoon niet. Als je ergens wilt zijn is het gewoon een kwestie van concentreren en je bent waar je zijn wilt. In een flits overbrug je, bij wijze van, duizenden aardse kilometers.
Waar aardbewoners zich ergens een bepaalde tijd bij voorstellen; hier is tijd niet. Alles is overal hetzelfde. Geen tijd geen afstand, alles is alles. Niets wordt hier op wat voor manier dan ook gecategoriseerd. Niet in tijd en niet in afstand. Enkel bewustzijn van alles dat is. Alles is bewustzijn en alles heeft een bewustzijn.

Zo vertoefde ik bij Farrokh in India en zo was ik boven Nederland. Eigenlijk tegelijkertijd. Dat lijkt misschien onbegrijpelijk. Misschien niet meer als je jezelf probeert voor te stellen, dat we allemaal gewoon energievormen zijn, bewustzijnsvormen. Je kunt je energieveld zo groot en zo klein maken als je zelf wilt. Zo klein in de vorm van een menselijk lichaam of uitgespreid van India tot over Europa. Hoe kleiner je je energievorm maakt hoe compacter, hoe zichtbaarder je bent.
Als je ergens heel geconcentreerd moet zijn – niet de concentratie van de menselijke geest – moet je al je energie bij elkaar halen. De meeste tijd ben ik dus compact, met al mijn energie, gebundeld in Farrokh’s omgeving.

Farrokh’s omgeving bestond buiten zijn tijd op het internaat ook uit plezierige uitstapjes. In de vakantieperiodes bij zijn familie, bezocht hij regelmatig de Indiase hoofdstad Bombay. Op het internaat had hij al foto’s gezien van verschillende gedeelten van deze imposante stad. De meeste informatie haalde hij in deze uit verschillende kranten. Totdat de tijd kwam waarin zijn tante vroeg of hij zin had om met haar en haar gezin mee te gaan naar de markt in Bombay. Hij had het al die tijd van foto’s moeten hebben. Foto’s die bij hem jongens fantasieën opriepen. Over sjeiks en andere hoogwaardigheidsbekleders, die aan het onderhandelen waren op de markten in verschillende soorten handelswaar.
“Wat leuk dat je deze vakantie weer een keer bij ons komt logeren Farrokh”, zei zijn tante liefdevol, op het moment dat Farrokh met zijn tassen bij haar werd afgezet, door de chauffeur van St. Peters. De chauffeur na zwaaiend, zei hij tegen zijn tante, ‘ik vind het ook erg leuk om weer eens bij u te zijn.’
Tante Sheroo had een voorliefde voor kunst die ze met de jongen deelde. Zowel zij als haar neefje hadden een heel zuivere hand in tekenen. Ze liet dan ook geen enkele gelegenheid ongelegen om de jongen hierin te stimuleren. Vooral in het beginnen maar ook afmaken van een tekening. Hier schortte het er nogal eens aan bij Farrokh. In hem zat namelijk ook een klein gedeelte van een chaotische persoonlijkheid die met verschillende dingen tegelijk bezig moest kunnen zijn.
Tante was ook in het bezit van een platenspeler die ze op het internaat niet hadden. De tijd die hij doorbracht bij zijn tante, werd dan ook regelmatig gevuld met het draaien van verschillende singeltjes, die zij voorradig had. Het grootste percentage van haar verzameling was van Indiase bodem. Toch had ze ook westerse muziek. Tot groot plezier van Farrokh die een voorliefde had voor deze muzieksoort.
Zo ontstond langzamerhand de ontwikkeling in hem, die muziek verkoos boven al het andere wat hem te doen stond. Dit resulteerde in het formeren van een schoolband die de typerende naam ‘The Hectics’ droeg. Ze speelden op verschillende feestjes en schoolpartijen.

Farrokh’s eerste uitstapje, tijdens deze vakantie bij zijn tante, was naar de grote markt in Bombay. De kilometers heen en terug werden afgelegd in tantes auto. Daar op zich genoot hij al enorm van. In Zanzibar thuis hadden ze geen auto. En bij grote uitzondering bracht de chauffeur van St. Peters je weg. Dus de keren dat hij in een auto gezeten had, waren nog op twee handen te tellen.
Aangekomen op de grote markt heb ik ontzettend genoten, van zijn niet te stillen honger naar allerlei zaken, die hij daar zag en die hij nog nooit eerder gezien had.
Mannen die op planken gingen liggen met spijkers erop. Manden met slangen erin, die eruit kwamen gekropen op het deuntje van een fluit. Belangrijke mannen die de meest exotische waren van de stad verkochten. Rondslenteren terwijl je de ogen uitkijkt al mango’s, kokosnoten en lychees etend. Kraampjes met prachtige gekleurde stoffen vanuit de hele wereld.
Samen met tante wandelde hij door de nauwe straatjes van Bombay, later, richting de grote haven. Enorme schepen beladen met katoen, rijst en thee die op het punt stonden uit te varen, naar allerlei delen van de aarde, zag hij daar. Een wereld ging er voor hem open en steeds meer ging hij beseffen, dat hij een onderdeel was van een heel groot geheel. Waar hij echter geen naam aan kon geven.

Hij voelde zich al een hele vent, sinds hij deel had genomen aan de Navjote-ceremonie toen hij acht was. Sindsdien was hij al een volwaardig lid van de gemeenschap van volgelingen van Zarathustra. Dit in navolging van zijn ouders, die ook beiden volgelingen waren van deze godsdienst.
Tijdens de ceremonie, de doop, onderging hij een zuiverend bad terwijl de hoofdpriester gebeden zong. Het zuiverende bad was voor de hygiëne, die als wezenlijk werd beschouwd voor het zuiveren van geest en ziel. Hij onderging het met gratie en respect en dat vulde mij met trots.
Na het bad werden door hem de gebeden herhaald waar de priesters hem in voorgingen. Dit voor één van de eeuwige vuren, die over de gehele wereld verspreidt staan en brandende gehouden worden door Zarathustriaanse priesters. In sommige streken van Iran zijn er vuren die al tweeduizend jaar brandende gehouden worden. De gebeden worden voor deze vuren uitgesproken als bevestiging van het geloof van de betrokkene. Met het uitspreken van de gebeden aanvaarde Farrokh De Leer van Zarathustra. Hij ontving daarbij zijn sudreh, een wit katoenen hemd, een symbool van onschuld en zuiverheid. Zijn kusti, een koord gemaakt van zuivere witte lamswol, dat symbool staat voor het opmaken van jezelf ten diensten van de mensheid. Waarvan later bleek dat dat ook werkelijk zo zou zijn. Farrokh was geboren om de mensheid te dienen. Aan het slot van de ceremonie werd hij bestrooid met rozenblaadjes, rijst en granaatappeltjes.

Zo was Farrokh’s leven een constante stroom van ontwikkelingen. Waar ik de dankbare toeschouwer van mocht zijn en waarvan zou gaan blijken, dat dit een voorbereiding was op zijn latere volwassen leven.

Intussen ging met zijn ontwikkeling, ook mijn voortschrijden in de geestelijke wereld vooruit.
Door mijn begeleiden van een jongen die voor de wereld zoveel zou gaan betekenen, met wat daar allemaal bij komt kijken, groeide mijn bewustzijn ook. Farrokh moest geïnspireerd worden en behoedt worden voor misstappen die zijn karmische les zouden kunnen beïnvloeden. En vooral zorgen dat er met zijn handen niets gebeurde, die moesten optimaal kunnen blijven functioneren. Het pianospelen deed voor de lenigheid van zijn vingers dan ook wonderen.

Februari 1963, was de laatste periode die hij doorbracht op St. Peters. Zijn schooltijd zat er op. Hij was geslaagd met erg goede resultaten voor de vakken Geschiedenis, Kunst en de Engelse taal. Hij verhuisde terug van India naar Zanzibar, waar hij weer bij zijn ouders in hun appartement ging wonen.

Het politieke leven op Zanzibar onderging in die tijd ook de nodige veranderingen. Sinds het koloniale tijdperk waren zowel India als Zanzibar een Engelse kolonie. Met de verkiezingen van 1963 kregen de Arabieren echter de zeggenschap op Zanzibar. Dit hield direct een verandering in voor Farrokh’s vader, die was werkzaam geweest voor de regering. Met het welzijn van zijn gezin voor ogen gingen ze in 1964 emigreren. Naar een land waar zij een nieuwe toekomst konden beginnen.

Hoofdstuk 05 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

06 Naar Daar Breng Ik Hem

Feltham, Middlesex, Verenigd Koninkrijk, 1964

Op de vlieghaven Heathrow taxiede het grote, zilver gevleugelde vliegtuig over de landingsbaan richting zijn halte. Deze grote luchtbus bracht Farrokh en zijn familie naar hun nieuwe toekomst. In een randgemeente van het immense, grauwe London.
Ze gingen om hun toekomst een start te geven, zolang logeren bij kennissen van zijn vader. Er was nog geen huis geregeld wat ze zelf permanent konden betrekken, Zodoende kwamen ze terecht bij mensen die vader kende via zijn werk, voor de regering in Zanzibar.
Farrokh liet zijn geliefde Zanzibar met een zwaar hart achter zich. Vanuit de lange, trage, zonnige dagen vol levensvreugde en vermaak, kwam hij terecht in London. Miezerig, koud en kil.
Alles had hij achter zich moeten laten, zijn vrienden, het strand en ook de huisbedienden. Geen bazaars meer om tussen de kraampjes door te slenteren. Al het exotische, waar hij zo van hield, was in één klap uit zijn leven weggevaagd. Om dan als mooie, getinte Pars tussen veelal blanke mensen te moeten gaan leven. Hij was alles behalve wat hij om zich heen zag. Het kostte hem een behoorlijke tijd, om geacclimatiseerd te raken.
En ik voelde, leefde met hem mee en liet geen enkele moeite gespaard om hem weer lekker in zijn vel te krijgen. Dat ging niet vanzelf dat spreekt voor zich.

De taxi stopte voor een goed onderhouden negentiende-eeuws huis. In de laan stonden nog meer van die soort huizen, vroeger bewoond door de rijke burgerij. Het zag er allemaal zeer verzorgd en chic uit. Dit kon echter allemaal geen indruk op Farrokh maken, in zijn hart was er geen plek, die gevuld kon worden in plaats voor zijn geliefde Zanzibar.
Er kwam een vrouw naar buiten die zich voorstelde als Ruth, Ruth was de vrouw van Clive, een oud collega van zijn vader die op het ministerie van buitenlandse zaken werkte. Uiterst beleefd en vriendelijk onthaalde ze Farrokh en zijn gezin.
Voor theetijd kregen ze tijd om het zich gemakkelijk te maken in de vertrekken, die ze aangewezen kregen als tijdelijk onderkomen. De bovenste verdieping bestond uit zes kamers die ze konden bewonen.
Farrokh zou een slaapkamer delen met zijn zusje Kashmira. Een erg smaakvol aangeklede ruimte met gordijnen van zware stoffen. Twee bedden bekleed met satijnen spreien en een zithoek met meubeltjes, in Queen Anne stijl.
“Oh, Kashmira waarom moesten we zo nodig naar dit kille land verhuizen,” was het eerste dat hij tegen zijn zusje zei, toen ze alleen waren. “Luister Farrokh, papa heeft uitgelegd dat dit iets is wat hij moest doen. Er was voor papa toch geen werk meer!” Diep in zijn hart wist hij dit ook wel, maar hij vond het zo onrechtvaardig allemaal. Hij aaide zijn zusje liefdevol over haar hoofd en zijn gedachten golven bereikten mij.
‘Lief zusje ik weet dat je gelijk hebt, hoe moet dit voor jou allemaal wel niet zijn, vast veel erger dan voor mij. Ik moet er jou ook eigenlijk niet mee lastig vallen, je hebt zelf genoeg te verwerken.’
Met al de warmte en genegenheid die ik in me had, ging ik op hem af en omsloot hem. Hij slaakte een zucht, alsof er een enorme zorg van zijn schouders viel. Mijn energie trof weer eens direct doel, ik aaide hem over zijn hoofd. Wat hij zijn zusje gaf, had hij zelf ook zo ontzettend hard nodig. Alleen, was er voorlopig niemand anders voor hem dan ik. Zijn vader en moeder hadden het, de tijd na hun aankomst, veel te druk met ingeburgerd raken in Engeland.
Dit gebrek aan aandacht wierp al snel zijn vruchten af, want na twee maanden konden ze gaan verhuizen. Er was een huis gevonden in hetzelfde stadsgedeelte als waar ze nu logeerden. Zo betrokken ze een twee-onder-een-kap woning, het echte leven kon weer beginnen. Met de broodnodige aansporingen, wist ik Farrokh de laatste twee maanden bij te staan. Hij begon in te zien, dat er geen weg meer terug was en dat hij er van maken moest, wat er van te maken viel.

Moeder deed ontzettend haar best, het nieuwe huis gezellig in te richten. Ze probeerde een sfeer te creëren, waarvan de finesses zaten in spulletjes, die ze in hun vorige bestaan, op het exotische Zanzibar, ook in hun inrichting hadden. Farrokh en Kashmira bleven zo dicht bij hun oorspronkelijke bestaan, al was het dan in een heel ander land. De kinderen en haar man waren haar hier ontzettend dankbaar voor.
‘s Nachts in diepe slaap, op zijn nieuwe slaapkamer, zond ik Farrokh positieve gedachten. Dit moest er voor gaan zorgen, dat hij op de goede weg terecht kwam. Hij was al in het juiste land terecht gekomen ook al zag hij dat zelf, met vlagen, nog steeds niet zo. De rest van de basis moest nu langzamerhand gelegd worden, om hem het pad te laten bewandelen, waar hij voor dat hij incarneerde voor gekozen had. Mijn positieve gedachten golven moesten daarna nog enkele nachten gezonden worden, om hem inspiratie te geven, een richting te kiezen in zijn leven.

“Mama, ik wil grafische vormgeving gaan studeren. Ik wil graag verder gaan, met waar ik in India zo goed in was,” wist hij zijn moeder op een ochtend mede te delen. Totaal verrast door deze positieve ontwikkeling, zei ze “Nou jongen dat vind ik een goed idee. We zullen gaan kijken wat er voor nodig is, om dat voor elkaar te krijgen.”
Farrokh had voor deze incarnatie, deze intelligentie als moeder gekozen. Zij had het in zich hem te ondersteunen in zijn ontwikkeling. Dit was nodig omdat hij de neiging had, dingen te beginnen zonder ze af te maken. Die ondersteuning gaf zij hem inderdaad ook, al vanaf het begin van zijn leven. Haar hart ging, net als het zijne, ook uit naar muziek. Haar interesse, voor opera en klassieke muziek, deelde hij naar hartenlust. Dat was op zich vrij vreemd voor zo een jong iemand. Toch is het de klassieke muziek geweest, die hem op jonge leeftijd onder andere, inspireerde piano te gaan spelen.
Er werd allerlei informatie ingewonnen, om uit te vinden wat er voor nodig was, om Farrokh richting universiteit te helpen. Een hogere opleiding in het voortgezet onderwijs moest hij gaan volgen. Het diploma hiervan, zou het toelatingsbewijs zijn tot de universiteit. Farrokh werd, in de zomer van het jaar dat ze emigreerden, aangemeld als student, op de Polytechnische school in Isleworth.

Voor Farrokh brak er een drukke tijd aan. De nodige boeken moesten gekocht worden en reisschema’s uitgestippeld.
Geestdriftig was hij bezig, met het op orde brengen van de nodige dingen, voor zijn toekomstige schoolactiviteiten. Met de bus naar school gaan was de makkelijkste oplossing. Dit begon hem echter al vrij snel de keel uit te hangen. Elke dag met één van de rode dubbeldekker bussen van het openbare vervoer naar school.
Er was geen snellere manier voor handen, om op school te komen, dus zat er niets anders voor hem op. Zo sloot Farrokh zich elke dag aan, bij de rij passagiers die wachtten op de bus om naar hun werk, school of gewoon naar de stad te gaan. Kleurloos dat vond hij ze, allemaal! Al die mensen, die hij daar elke ochtend weer tegen kwam.
Uniek als hij zelf was, als mens, hoopte hij iemand tegen te komen, die dat kleurloze bestaan wat op kon fleuren. Dat moest hij echter ontberen. Daarom was lange tijd zijn studie, om zo snel mogelijk op de universiteit te kunnen komen, het enige dat hij voor ogen had. Op school zat het hem, sociaal gezien, ook niet mee. Ze vonden hem maar vreemd, met zijn licht bruine huidkleur en zijn vreemde accent. Zijn beheersing van de Engelse taal was uitmuntend. Toch bleef zijn afkomst doorklinken in zijn taalgebruik. Gezien het feit dat zijn voortanden iets naar voren stonden, was de ‘s’ in zijn manier van praten een opvallende klank.
Hij op zijn beurt vond hen conservatief, in hun manier van denken en redeneren, gelijk had hij. Alles was even burgerlijk en stijf op de scholen in het Engeland van de vroege jaren zestig. Leerlingen werden geacht er geen eigen mening op na te houden. Wat dat betreft hadden ze aan Farrokh een hele slechte. Hij hield er boven alles, over alles een uitgesproken eigen mening op na.
Dat gold zowel voor muziek als voor politiek, Ook had hij een heel eigen stijl van kleden. Waar alle leerlingen hun beste beentje voor zetten in allerlei vakken, die niets met kunst te maken hadden, blonk Farrokh juist uit in de kunstzinnige vakken. Musiceren bleef hij doen hetzij op bescheiden schaal.
Ruth en Clive hadden een vleugel in hun woonkamer. Ruth was van af de eerste oogopslag, gecharmeerd van de vriendelijke, bescheiden jongen. Dit zorgde er mede voor dat hij wekelijks een bezoekje aan hun adres bracht, om op de vleugel te kunnen spelen.
Ruth en Farrokh’s moeder, die vaak meeging, luisterden dan naar zijn pianospel. Zo kreeg Farrokh er een doelstelling bij, hij wilde een eigen vleugel. Vol enthousiasme ging hij, buiten schooltijd, op zoek naar baantjes. Van vakkenvuller in supermarkten tot broodjesverkoper, in één van de cafetaria’s op de luchthaven Heathrow.
Eén van die zoektochten naar baantjes, deed hem belanden in het winkelcentrum van Feltham, waar hij woonde. Hij kreeg daar een betrekking als lader en losser van vrachtwagens, samen met nog een aantal andere jongens van zijn leeftijd. De moeilijk te benaderen Farrokh, werd daar ook gezien als een vreemde eend in de bijt. Dat zagen ze echter zo verkeerd! Farrokh was enkel en alleen een mens, die eerst de kat uit de boom keek alvorens contact met iemand te maken.
Met een paar dagen was het ijs gebroken, en werden de jongens onder elkaar wat vrijpostiger. In één van de koffiepauzes vroeg één van hen aan hem, of dit werk niet een beetje buiten zijn lijn lag. Hoe hij daar dan bij kwam, “Als ik jouw verfijnde handen bekijk, denk ik dat ander werk jou beter zou passen.” “Ik ben een muzikant, die op deze manier zijn tijd probeert te vullen,” was zijn antwoord hierop. Dat werd direct serieus genomen. Farrokh werd voortaan het zwaarste werk uit handen genomen om zo zijn vingers te kunnen sparen.
Dat was voor hem een hele openbaring, gerespecteerd te worden door die jongens. Zo ontstond er een leuke vriendschap tussen hen, die zorgde voor een ontspannen werksfeer. Het zou nog een behoorlijk lange tijd duren, maar uiteindelijk ging hij er komen hoor zijn felbegeerde vleugel.

De periode, die later bekend zou worden als de ‘swinging sixties’, deed langzaam zijn intrede in Engeland, dit had een revolutie onder veel jongeren als gevolg. Dit uitte zich in, uitkomen voor je eigen mening, kleding dragen die bij die stroming hoorde en je haar lang laten groeien. Alles was ‘hip’ ineens. Zo deden de eerste hippies hun intrede in de wereld.
Hier hoorde ook een eigen muziekstijl bij, waar The Beatles trendsetters in waren. Twee jaar na hen bevolkten ook de Rolling Stones verschillende nationale podia, die ook weer navolging kregen door The Who.
Ook was Jimi Hendrix er inmiddels, de man die de gitaar bespeelde zoals niemand nog ooit had gedaan, de man die Farrokh bewust maakte van een extra dimensie in muziek. Alles wat er van Jimi Hendrix op de markt kwam, werd gekocht. Wat hij deed, was echter zo totaal vernieuwend, dat niet iedereen dat van den beginne af aan inzag. Farrokh liet er niets aan gelegen liggen, om anderen te overtuigen van dat wat Jimi Hendrix deed. Het zou er volgens hem voor gaan zorgen, dat niet alleen hij maar uiteindelijk iedereen die zich bezig hield met muziek, in zou gaan zien dat dit iets totaal anders was. En zo bijzonder vooruitstrevend was, dat wat hij kon niet zomaar elke gitarist hem na zou doen. Later zou blijken dat wat Farrokh predikte, tegen ieder die hem horen wilde, klopte.
Zijn manier van piano spelen werd er door beïnvloed. Hij probeerde zelfs, geïnspireerd door Hendrix, gitaar te spelen maar dit bleek niet voor hem weg gelegd. Daar zat hij uiteindelijk niet zo mee. Zo was hij ook. Direct zag hij in wanneer hem iets wel of niet zou gaan lukken. Hij had daar een zuivere intuïtie voor. Mocht al snel blijken dat iets niet zou gaan lukken, dan stopte hij er net zo snel weer mee als hij eraan begonnen was.
Farrokh ontwikkelde in deze periode een totaal eigen stijl van kleden, voorloper als hij was in zoveel andere dingen. De leerkrachten op school waren hem niet erg dankbaar voor het aanvechten van de uniformiteit.

Tijdens wat ze noemden de swinging sixties, zou ik mijn volgende incarnatie gaan beginnen. Langzamerhand kwam de tijd, dat ik mijn taak door moest geven aan een andere intelligentie, Shahin, die Farrokh’s begeleider zou gaan worden. Mijn tweede broer was vier jaar geleden al geïncarneerd. Alles was gegaan zoals het had moeten gaan.

Aardse tijd 1965; de conceptie tussen mijn toekomstige ouders zou niet lang meer op zich laten wachten. Wat er voor zou gaan zorgen, dat ik steeds meer naar de aardse dimensie toe getrokken zou gaan worden.
Tijdens de laatste fase van mijn begeleiderschap, werd ik al regelmatig bezocht, door een intelligentie genaamd Miriam, die mij op haar beurt weer, zou gaan begeleiden naar mijn komende incarnatie. Op weg naar mijn volgende leven.
In mijn bestaan aan Gene Zijde voltrokken zich de nodige veranderingen. Om beurten was ik, dan weer met Miriam boven Nederland bij mijn toekomstige ouders, dan weer samen met Shahin in Farrokh’s buurt. Shahin was Farrokh’s komende primaire begeleider, zijn taak zou duren tot het einde van zijn leven. Dit zou een paar maanden na zijn vijfenveertigste verjaardag eindigen. Dat inzicht kreeg ik nog mee, voor ik afscheid moest nemen van mijn lieve Farrokh.
Shahin nam mijn taak geleidelijk van me over. Ik kreeg de tijd om me langzaam van Farrokh los te koppelen. Als je vijftien aardse jaren lang iemands begeleider bent geweest, kan je niet van het ene op het andere tijdstip overschakelen. De energieën tussen ons waren zo nauw met elkaar verbonden, dat de lijn langzaam ontkoppeld moest worden.
Farrokh mocht niets gaan merken van de veranderingen, die zich voltrokken aan Gene Zijde, in zijn directe omgeving. Door toedoen van Shahin, die het vrij snel lukte zijn energieveld op hem af te stemmen, verliep alles naar karmische wens.
Door er samen te zijn voor hem, alvorens mijn energieën steeds verder terug te trekken, verliep de overgang voor mij ook erg prettig. Als Shahin zich in mijn plaats naast Farrokh opstelde, kreeg ik de tijd om te acclimatiseren.
Zo gebeurde het steeds vaker dat Miriam mij op kwam halen in Farrokh’s buurt, om mijn energieveld volledig te concentreren boven Nederland. Ik liet de zorg voor Farrokh dan over aan Shahin. Op het moment dat mijn vertrouwen in Shahin voltooid was, zat mijn taak er op.
Dat was tevens een onderdeel van mijn ontwikkeling, dat ik in mijn komende leven diende te gaan voltooien. Het vertrouwen in iemand krijgen, zodat je iets wat je lief is met een gerust hart in diens handen legt. Of het nou een dierbare is, je hart of je lot. Ongeacht, zonder voorwaarde. Dat zou een belangrijk onderdeel gaan worden, van mijn toekomstige bewustzijnsontwikkeling.

Tijdens mijn komende leven op aarde, zou ik een gezelschap van zestien begeleiders mee krijgen. Waarvan er telkens maar één, voor een bepaalde tijd de primaire begeleider kon zijn. Tegen de tijd dat ik achttien jaar zou gaan worden, zou Miriam als dichtstbijzijnde, naast me komen staan. Rond die tijd zou er een belangrijke omwenteling plaats gaan vinden in mijn leven. Zij wilde mij dan graag door de periode, die daar op zou gaan volgen, heen loodsen. Door die periode heen gekomen, zou er een andere intelligentie haar plaats innemen. Die op dat moment zijn laatst genoten muzikale leven op aarde af zou sluiten. Zij zou dan weer verder kunnen gaan, met het voltooien van een onderdeel in haar eigen ontwikkeling.

Al doende legde ik een aantal afspraken vast met intelligenties, die ik op mijn toekomstige levenspad tegen zou komen. Veel leerde ik, in de periode die ik doorbracht boven Nederland, voor dat de samensmelting van cellen plaats vond die mij zouden gaan belichamen. Mijn grootvader, mijn vaders vader, was ingetrokken bij mijn familie. Mijn broers waren naar de leeftijd van respectievelijk zes en vier jaar gegroeid. Het was een gezellige boel.
In mei 1965 vond de liefdesdaad plaats, die als gevolg had dat mijn incarnatie een feit was. De drie maanden die daar op volgden, raakte mijn energieveld steeds meer verweven met de celletjes, die alras uit begonnen te groeien, tot een piep klein menselijk wezentje.
Mijn moeders zwangerschap doorstond de eerste drie maanden. Alles was goed gegaan en mijn energieveld, in volledige concentratie, nam plaats in de schoot van mijn moeder. Het lichaampje was voor de komende achtenzeventig jaar, permanent bezield geraakt.

In de maand februari van het jaar 1966, zou ik geboren gaan worden. In dat zelfde jaar, deed Farrokh eindexamen, op de Polytechnische school van Isleworth. Hij passeerde dit glansrijk. Zijn toegangsbewijs tot de universiteit had hij daarmee op zak. In september werd hij student aan de Kunst Universiteit van Ealing.

Hoofdstuk 06 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

07 Een Ziel Uit Het Verleden

1974

Megan en ik, Neeltje, waren al vanaf het begin van ons leven vriendinnetjes. Als we niet op school zaten, speelden we samen. We gingen niet naar dezelfde school. Dit zorgde ervoor dat we, de tijd na school en in de weekeinden, onafscheidelijk waren. We woonden naast elkaar wat de vriendschap alleen maar vergemakkelijkte. Dit jaar was ik in februari acht geworden en zij in september zeven.
Mijn oudste broer, Joah, en ik deelde een zelfde passie. We waren allebei gek van muziek. Hij had in zijn wekelijkse ritme een vast onderdeel ingebracht, kijken naar Top Pop. Een tv programma, waarin elke week een overzicht ten gehore gebracht werd van de populairste veertig hits in Nederland. Op zo een donderdag avond om zeven uur zat hij dus weer voor de buis.
“Hé, kunnen jullie misschien iets minder luidruchtig zijn daar aan tafel. Ik kan bijna niets horen zo!” riep hij naar Megan en mij. Wij zaten daar een spelletje ganzenbord te spelen. We hadden de grootste lol en daar mocht iedereen van mee genieten, wat ons betrof. We wilden hem niet echt storen, tijdens zijn favoriete programma, dus bonden we in.
“Fijn bedankt dames,” zei hij schertsend, waardoor we het weer uitproestten. We zetten ons spelletje in, voor onze doen, alle rust voort.
“En hier, moet je dit zien,” hoorden we hem even later ineens verontwaardigd zeggen. Onze aandacht had hiermee zijn attentie. Hij doelde op een groep, die aangekondigd was en hun nummer ten gehore kwam brengen.
Zo tersluiks keek ik even op om naar het beeldscherm te kijken. Dat tersluikse ging in een flits over op volledige attentie. Waar hij van zei, ‘moet je dit zien,’ trof mij als een bliksemflits. Wat ik daar nou precies zag kon ik niet, in welke woorden dan ook, uitleggen. Maar ik zag daar wat!
Een jongen gehuld in een zwart jasje met glittertjes en een zwarte glimmende broek. Met zwart lang haar, en zwarte nagellak op de nagels van zijn linker hand, en een stem die mijn kinderzieltje diep beroerde.
“Wat sta jij daar nou raar te staren?” vroeg mijn broer me terwijl hij me verwonderd aankeek. Zo kende hij zijn kleine zus niet. Voor mij was het ook iets totaal nieuws. Ik werd opslag verliefd op een jongen, die ik toen, voor het eerst op televisie zag. Een kinderlijk soort verliefdheid weliswaar, die er echter niet om loog. “Jee, wat een knappe jongen zeg,” was zo een beetje het enige, dat ik uit wist te brengen.
“Wie die daar met dat hazengebit?” was zijn ongelooflijke vraag. “Die zanger bedoel ik,” was mijn reactie, dat hij vooruit staande tanden had was mij volledig ontgaan. “Nou,” deed Megan een duit in het zakje, “Ik vind die drummer veel knapper hoor.” “Dat moet jij weten!” kaatste ik terug.
Vanaf die dag, moest ik het zwaar ontgelden bij mijn broer. Z’n zusje was verliefd, daar moest om gelachen worden.
Tonnis, mijn jongste broer, vond het niet zo vermakelijk. Hij vond het op een andere manier om te lachen. Meer op negatieve manier. Hij vond het ronduit belachelijk!
Joah kocht, eens in de zoveel tijd, de Muziek Expres. Een tijdschrift dat aansloot bij Top Pop. Hierin stonden artikelen, die meer wisten te vertellen over de popartiesten. De presentator, die alleen maar aankondigde, kreeg de tijd niet om meer over ze te vertellen. Dat maakte het weekblad meer dan goed.
Op een dag, wat later in de middag, kwam ik thuis van school. Mijn broer was al eerder thuis, die zat met zijn leeftijd al op de middelbare school. De achterdeur achter me dicht trekkend, liep ik de keuken binnen. Mijn moeder zat de aardappels al te schillen voor het avondeten.
“Hoi mam, wat eten we?” deed mijn knorrende maag me vragen. “Hoi Neeltje, ben je al binnen? Het is ook altijd hetzelfde met jou, ‘mam wat eten we?’ We eten wat de pot schaft Neeltje net als elke andere dag,” antwoordde mijn moeder. Op de vraag die ik elke dag stelde, als ik ‘s middags uit school kwam. “Haha, jij zegt ook altijd hetzelfde.” “Jij vraagt ook altijd hetzelfde,” terwijl ze me lachend aankeek, “maar als je honger hebt dan pak je maar een appel of zo.”
Terwijl ik de kelder indook, voor een stuk fruit, hoorde ik Joah in de huiskamer praten tegen de buurjongen, Megans oudste broer. Al kauwend op een stuk van een sterappel, liep ik de huiskamer in.
“Hé,” zei ik terloops. “Hé zus, kijk eens wat ik hier heb!” naar me zwaaiend met zijn favoriete tijdschrift. “De Muziek Expres, nou en?,” was mijn reactie op zijn gewapper. “Wat denk je dat hier in staat?” met een tot een lach vertrokken gezicht. “Van alles over muziek!?” en ineens gingen bij mij de bellen rinkelen. Ik sprong op hem af. “Geef hier dan, laat zien.” Om me te treiteren, trok hij snel het blad terug.
“Rustig maar, straks is het gescheurd dan heb je er helemaal niets aan. Niet dat je er überhaupt iets aan hebt.” Met die uitspraak kreeg ik het tijdschrift in mijn handen geduwd. Met een behoorlijke snelheid begon ik de diverse pagina’s door te spitten. Ineens was hij daar. Een foto van mijn ideaal en de rest van de band. “Je mag hem wel hebben hoor,” zei mijn broer om hiermee zijn gepest goed te maken.
Met het tijdschrift onder mijn arm geklemd, rende ik even later naar boven. Om op mijn kamer, te kunnen staren naar zijn foto en mijn fantasie de vrije loop te laten. Een geklop op de deur riep me terug naar de werkelijkheid. Megan kwam mijn kamer binnengelopen.
“Hé, moet je eens kijken joh, die heb ik van Joah gekregen,” ik gaf haar het tijdschrift om haar mijn schat te kunnen laten bewonderen. Niet voor niets natuurlijk, want de hele band stond er in afgedrukt dus ook ‘haar’ knappe drummer. Al giechelend en ginnegappend brachten we zo de rest van de middag door, totdat mijn vader thuiskwam van zijn werk en we moesten eten.
Met zijn allen aan tafel, even later, vroeg mijn broer of ik nog meer had gedaan behalve naar de foto van mijn favoriet gapen. Of ik ook iets van het artikel had kunnen lezen. Nou ging lezen nog niet zo snel op die leeftijd, maar nee ik had niet veel gelezen. Wel zijn naam en die van de rest van de bandleden, ook dat ze eerst een andere naam hadden, Smile of zoiets. Onder die naam hadden ze ook nog een plaat uitgebracht, wist Joah me te vertellen, die had het artikel dus goed gelezen. Nou die plaat wilde ik dan ook wel eens horen. In heel Nederland was die plaat niet te koop zei mijn broer. Importeren zouden we kunnen proberen. Wat importeren precies inhield ging mijn begrip te boven, dus liet ik de plaat voor wat het was.
“Die vent die dat artikel heeft geschreven, zegt dat die zanger uit Afrika komt. Een eiland dat er vlak naast ligt, Zanzibar of zo! Hij stamt dus uit de binnenlanden van Afrika Neeltje. Daar kun je natuurlijk niet al te veel van verwachten!” Als hij maar even de kans zag om mij op de kast te jagen, liet hij het niet na mijn oudste broer. Sterker nog het lukte hem meestal ook nog, zeker waar het mijn idool betrof. Dat was voor hem dus keer op keer weer lachen geblazen.

“Mam, als ik nou héél, héél erg goed mijn best doe op school, koop jij dan het singeltje voor mij?” vroeg ik mijn moeder smekend. We waren bijna klaar met eten. “Je doet toch je best op school? Wat moet je nog beter doen dan gewoon je best?” Hoe ik het daar mee had, wist ik niet helemaal zeker. Of ze probeerde me in de maling te nemen! Of ze wou alleen maar kijken hoe ik zou gaan reageren.
De twijfel was van mijn gezicht af te lezen. Dat was niet al te moeilijk. Mijn gezicht was een open boek voor iedereen die goed op wilde letten.
Ze aaide me over mijn haar en zei, “Ik zit je maar te plagen. Ik moet morgen toch naar De Heuvel (de benaming voor onze binnenstad). Tonnis heeft een nieuwe broek nodig, dan zal ik wel eens gaan kijken bij Frans Keyzers.” Frans Keyzers was de eigenaar van de platenzaak, waar mijn ouders hun elpees altijd kochten.
“Hoe heet het singeltje dat je hebben wil?” vroeg ze me geïnteresseerd. “Killer Queen, mam, zo heet het. En de groep heet gewoon Queen!” zei ik gretig. “Hopelijk kan ik die moeilijke woorden allemaal onthouden. Om zeker het goede mee te brengen, kun je me beter vertellen op welke plaats ze staan bij Top Pop. Dat kan ik vast wel onthouden, denk je niet?” “Op nummer drie staan ze. Wil je dat echt doen mam? Dank je wel!”
De dag die daarop volgde was er met mij geen land te bezeilen op school. “Neeltje?” ergens vaag hoorde ik mijn naam vallen. Ik keek op uit mijn dagdromerij ontwaakt. “Neeltje weet jij het?” werd me nog eens gevraagd. “Wat is de vraag meneer?” Ik wist dat dit niet het juiste antwoord was. “Neeltje, blijf je wel met je hoofd in de klas waar het hoort te zijn?” zei mijn onderwijzer een lichtelijk geïrriteerd. Op datzelfde moment ging de bel. “De volgende keer wel opletten graag oké?”
De hele middag was ik bezig met het singeltje, dat mijn moeder voor me zou gaan kopen. Eindelijk kon ik naar huis. Ik legde de weg naar huis sneller af dan nooit te voren.
“Mam, mam, heb je het gekocht?” was het eerste dat ik vroeg toen ik binnenstapte. “Ik ben bij de Keyzer geweest maar ze hadden het niet. Het was al uitverkocht,” deelde mijn moeder me mee, met een enigszins lacherige ondertoon in haar stem. Direct daalde mijn stemming naar het nulpunt. “Maar ik heb wel iets anders voor je gekocht.” Ik wilde niets anders. Ik wilde het singeltje van Queen en niet iets anders.
Sikkeneurig ging ik op de bank in de huiskamer zitten, mijn moeder kwam achter me aan. “Hier,” zei ze, “misschien ben je hier ook blij mee.” Ze reikte me een plastic tas aan. Wat verstrooid pakte ik hem van haar aan. De grootte van een langspeelplaat in die tas, wekte direct mijn nieuwsgierigheid. Met niet echt een idee, van wat me te wachten stond, ontdeed ik de plastic tas van zijn inhoud. Met grote ogen keek ik naar mijn cadeautje. Niet het singeltje maar de elpee waar ook Killer Queen op stond! “Jee, mam bedankt zeg. Nou heb ik nog meer liedjes van hem.” Ineens was ik, zomaar, de trotse eigenaar van de elpee ‘Sheer Heart Attack’ geworden.
Zo snel mijn benen me voort konden brengen, rende ik met een vaart de huiskamer uit de trap op naar m’n slaapkamer. Op m’n achtste verjaardag had ik een platenspeler gekregen. Lekker in m’n eentje ging ik snel mijn nieuwe elpee draaien.
Verrukt luisterde ik naar de composities die uit de luidspreker kwamen. Dat ze al zoveel liedjes meer gemaakt hadden, vond ik een enorme verassing.
Dromerig staarde ik naar de foto op de hoes, terwijl ik naar de elpee luisterde. Na het einde van kant twee, borg ik de schijf uiterst voorzichtig op in zijn hoes. Ik liep naar de buren, om te kijken of Megan al thuis was gekomen uit school.

“Hé Neeltje, jij komt vast kijken of Megan al thuis is?” vroeg de buurvrouw, toen ik via de keuken haar huiskamer binnen kwam wandelen. “Ja, dat klopt, is ze al uit school?” vroeg ik haar, met het vage vermoeden dat dit dus niet het geval zou zijn. “Jawel, maar ze is even een boodschap doen bij de Gregro. Ze is zo weer thuis, dus je kunt wel even wachten als je wilt.”
Ik ging, bij haar aan de eetkamertafel wachten op m’n vriendin. Erg rustig zat ik niet wat de buurvrouw al vrij snel in de gaten kreeg. “Wat zit je te wiebelen op je stoel, is er iets?” “Nee, er is niets ergs of zo. Ik moet Megan alleen iets heel leuks vertellen en ik kan bijna niet wachten.” “Je kunt het wel aan mij vertellen, als je het kwijt wilt,” deed haar nieuwsgierigheid vragen.
Op dat moment viel de poort dicht, en zie ik Megan de achtertuin in komen. Ze kreeg de kans niet, om haar fiets rustig weg te zetten in de schuur. Voor ze er goed en wel erg in had, stond ik al achter haar.
“Hé ben jij hier?” haar fiets tegen de schuurmuur kwakkend. “Ja, hé moet je luisteren, ik heb van ons mam de elpee van Queen gekregen. Zullen we die zo gaan luisteren bij mij?” “De elpee? Ik dacht dat je het singeltje zou krijgen!” zei ze enigszins verrast. “Dat klopt, die hadden ze alleen niet. Maar de elpee wel! Schiet je een beetje op, dan kunnen we gaan!”
Ik deed niets liever dan mijn favoriete schijf zoveel mogelijk draaien. “Staat er ook een foto op?” er ging een belletje rinkelen. “Ja, de drummer staat er ook op, kom nou maar.” In sneltrein vaart werden de boodschappen en het resterende geld in moeders schoot geworpen, en weg waren we. “Waar gaat dat naar toe?” riep de buurvrouw ons nog na. “Ik ben bij Neeltje platen draaien. Ze heeft de nieuwe elpee van Queen, tot straks mam.”
Behoorlijk onder de indruk, zeker niet minder dan ik, zei ze later op mijn kamer… “Die wil ik ook, maar die krijg ik natuurlijk nooit van ons mam.” “Je kunt het toch vragen,” reageerde ik direct op haar idee. “Straks als we gegeten hebben, vraag ik het meteen. Eerder heeft ze toch geen tijd.” Bij onze buren hadden ze vijf kinderen, in de leeftijd van zeventien, de oudste, en de jongste was nog geen jaar. Bij de buren was er altijd werk aan de winkel.

De bel ging en met zijn allen stormden we naar binnen. Na een hoop heisa zaten we allemaal op onze plaatsen. Een proefwerk, kennis der natuur, stond ons te wachten. Daar hadden wij behoorlijk veel zin in! Niet dus.
Er zaten er in onze klas natuurlijk ook, die daar geen moeite mee hadden. Dat waren de betere op-letters dus. Voordat ik in de ban raakte van de zanger van Queen, hoorde ik ook tot die groep. Mijn gedachten werden bijna constant gevuld door hem. Dus van opletten kwam weinig meer terecht.
Mijn goede resultaten op school bleven dan ook uit. Dat ik ineens onvoldoendes ging halen? Dat niet! Maar de zevens en achten werden zesjes. Zo verging het me ook met dat proefwerk. Mijn onderwijzer wilde wel eens weten hoe dat nou kon. Had ik misschien problemen? Was ik ziek? Hij ging mij in elk geval drastisch in de gaten houden. Niet dat ik dat in de gaten had. Had ik het maar in de gaten gehad!
Om me te laten merken dat hij me alleen maar plaagde, en het niet beroerd met me meende, kwam Joah op een middag m’n kamer binnengelopen.
“Wat zou je er van denken, als je aan foto’s uit Engeland zou kunnen komen van ‘m?” “Kei leuk natuurlijk hoezo? Is dat weer een grapje of zo?” vroeg ik hem argwanend.
“Nou het zit zo in de Muziek Expres staat een advertentie, van iemand die wil corresponderen met mensen, en eventueel foto’s ruilen.” “Foto’s ruilen waarvan?” “Zij wil foto’s van Queen ruilen tegen Abba en The Sweet of Mud geloof ik. Ze komt uit Engeland, als je wilt, wil ik die Engelse brieven wel schrijven.”
Dat was koren op mijn molen en ik ging er een sport van maken, om zoveel mogelijk foto’s te zoeken in allerlei tijdschriften. De correspondentie verliep prima. Ik kwam zo in het bezit van foto’s uit Engelse tijdschriften, waar ik eerder alleen maar van had kunnen dromen. Ik ging er een plakboek op na houden, en was de koningin te rijk!
Een paar weken na mij, werd Megan de trotse bezitster van een elpee van Queen. Haar oudste zus was eropuit gestuurd om, na lang zeuren, voor de aanschaf ervan te zorgen. Zo kwam zij thuis met Queen II. Een schijf waarvan wij niet wisten dat die bestond.
“Ja,” gaf haar zus, als uitleg “ik dacht, ik kan beter een andere dan ‘Sheer Heart Attack’ meenemen want die heeft Neeltje al. Zo hebben ze er alle twee één en kunnen ze twee verschillende elpees luisteren.” Dat vond ik duidelijk één van de beste ideeën die ze ooit gehad had. Ik werd direct verliefd op de foto op de binnenkant van de hoes.
Het Queen fenomeen, in ons jonge leven, nam grotere proporties aan. Dit, zo bleek later, tot groot ongenoegen van mijn vader, Jo, en mijn moeder, Tilly. Toch werd mijn plakboek almaar dikker.

De week van de ouderavonden brak aan. We zaten vlak voor de paasvakantie en kregen binnenkort onze rapporten mee naar huis. Donderdagavond moesten mijn ouders verschijnen op school. Wij keken Top Pop en wachtten tot ze thuis zouden komen van het tien minuten gesprek.
Die avond zou mijn leventje behoorlijk op zijn kop gezet worden. Een half uur na hun vertrek stonden ze alweer op de achterplaats, om hun fietsen weg te zetten. Nietsvermoedend liep ik de keuken in, hen tegemoet, om te vragen wat ‘onze meneer’ te vertellen had gehad.
Papa kwam als eerste over de drempel. Ik voelde aan hem dat er iets niet in de haak was. Ik was me totaal van geen kwaad bewust. Mijn gedrag op school liet niets te wensen over, dus wat had ik te vrezen? “Hoe was het?” stak ik van wal, zodra ze hun jassen aan de kapstok hadden opgehangen in de hal.
“Nou jonge dame, het was niet zo goed, wat hij te vertellen had!” ging papa in op mijn vraag. “Hoezo niet?” vroeg ik hem oprecht verbaasd. “Je punten zijn drastisch achteruit gegaan namelijk,” terwijl hij naar mama keek, op zoek naar bijval.
“Ik haal toch geen onvoldoendes!” probeerde ik mezelf te verdedigen, voor hij ook maar verder kon gaan. “Nee dat niet. Maar als het zo door gaat, hoeven we daar niet lang op te wachten volgens de meneer,” viel mama papa bij. “Wat een onzin! Zei hij dat? Dan moet hij maar eens beter uit zijn doppen kijken.” “Niet zo een grote mond dame. Hij zal echt wel gelijk hebben. Hij geeft al langer les dan dat jij oud bent.”
“Ik ga echt wel over hoor!” was het enige verweer dat ik nog wist te geven. Tegen grote mensen argumenten kon ik natuurlijk niet op.
“Dat kan jij wel zeggen. Maar we gaan niet afwachten of je gelijk krijgt,” zei mama, en ik wist niet waar dit gesprek toe moest leiden. “Volgens hem, weet hij heel goed waarom jij slechtere punten haalt,” vervolgde ze en ik dacht ‘dat is knap, hij denkt het te weten’. Dat ze mij dat wel even haarfijn uit zou gaan leggen was mij al wel duidelijk. “Zo en wat denkt de meneer dan wel waar het aan ligt?”
“Je kunt je gedachten niet meer bij de les houden, omdat je verliefd bent op die zanger van Queen,” was zijn uitleg geweest. “Belachelijk zeg, hoe verzint hij het!” “Dat verzint hij niet Neeltje! Wij zijn niet gek! We hebben onze ogen niet dicht hoor!” mijn moeders stem luidde al harder en een toontje hoger. “Dus nou ligt het aan Queen, dat ik slechtere cijfers haal?” en ik keek papa aan. “Hoe je het ook wendt of keert meisje, het feit ligt er. Als je zo door gaat blijf je zitten.” “Om geen verdere risico’s te lopen, pak ik je het plakboek af!” zei mama toen plomp verloren.
“Nee, alsjeblieft niet m’n plakboek, niet m’n plakboek!” was het laatste wat ik zei, voordat ik naar boven racete om m’n plakboek in veiligheid te brengen. Dit mocht niet baten, want mama volgde me op de voet. Inleveren kon ik het, dat zou ik nooit meer terug zien. Weg alle liefdevol bij elkaar gezochte foto’s. Een grote mond gaf ik haar. Wat ik allemaal zei, wist ik even later al niet meer. Ik maakte haar uit voor alles wat niet mooi meer was.
“Nou moet je heel snel je mond houden, anders kun je die elpee ook inleveren.” ‘Of ze me al niet genoeg te grazen had,’ dacht ik toen ‘dat moet er nog bij komen ook’. En ik bond heel rap in.

Zoals ik al had gezegd, ging ik gewoon over, naar de vierde klas van de lagere school. Dat had met Queen niets te maken! Ik legde gewoon een nieuwe verzameling foto’s aan, die foto’s uit Engeland was ik wel kwijt, dat deed mijn kinderhart wel zeer.
Na ‘Sheer Heart Attack’ kwamen: “A Night At The Opera’ en ‘A Day At The Races,’ waar ik ook de trotse bezitster van werd. En tegen de tijd dat ik, geen enkele klas gedoubleerd, in de vijfde kwam te zitten, brachten ze ‘News Of The World’ op de markt.
In de twee jaren die voorbij waren gegaan, was ik voor geen moment minder Queen fan geworden. Waar hem nou die inzinking in gezeten had, in de derde klas? Ik had geen onvoldoendes gehaald! Dus ‘waar was mijn plakboek gebleven?’ was de vraag, die ik mezelf bleef stellen. Zoekacties op zolder leverden niets op. Het was met de wekelijkse vuilnis mee gegeven. Als mijn moeder iets deed, deed ze het ook grondig!

De populariteit van Abba steeg in die tijd onder de schooljeugd naar een hoogtepunt. Dat ik ‘voor Queen was’ was een teken van wansmaak volgens mijn klasgenootjes. Daar had ik niets mee te maken. Daar had ik dus gewoon, zoals ze dat noemen ‘schijt aan!’ De onderwijzers van de vijfde klassen vonden dit allemaal vrij vermakelijk. In tegenstelling tot twee jaar eerder. Ze keken het gewoon aan en lieten het voor wat het was. Er waren er echter nog een paar meer, die Queen wel leuk begonnen te vinden. Zo ontstonden er twee kampen aan onze kant van de school. Het Queen kamp en het Abba kamp. Daar gingen natuurlijk, de nodige discussies mee gepaard.
Ik was de grootste voorvechter, van alles dat met Queen te maken had. Dat was onze onderwijzer meer dan duidelijk. Op het moment, dat ik mijn poëziealbum aan hem gaf, om er een versje in te schrijven, schreef hij het volgende;

Als ik jouw naampje hoor of zie,
Dan denk ik aan een punt of drie,
Dan zie ik een vrouw’lijke soldaat,
Dan zie ik een meisje dat veel praat.

Als ik jouw naam hoor Nelia,
Dan denk ik aan de MILVA
Dan denk ik aan een edel beest,
Want jouw liefde voor het dier,
Doet mij namelijk erg veel plezier.

“Neeltje” betekent: paarden en setters
“Neeltje” betekent: Abba zijn ketters.
Eén groep heeft de grootste faam.
“Queen” is haar Koninklijke naam!
Ik wens je in klas zes, veel ijver en succes!

Hoofdstuk 07 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

08 Bijna Dood

1978

“Vanavond, ik weet het zeker, Nederland gaat winnen hoor, ik weet het gewoon zeker!” stelde Joah omdat dat de wens van zijn gedachten was. De finale van de wereld kampioenschappen voetbal zou gespeeld worden. Nederland zou tijdens de finale wedstrijd uitkomen tegen Argentinië.
Het kon mij allemaal compleet gestolen worden, het toeters en bellen spektakel, ik had kiespijn en niet een klein beetje! Het huilen stond me de hele tijd nader dan het lachen, en ik kon mijn hoofd wel tegen de muur bonken. In de hoop dat het zeerder zou doen dan mijn kies. Alles wilde ik doen als het mijn kiespijn maar zou overstemmen. Er is geen pijn zo erg als kiespijn, het trekt zo door tot in je hoofd. Mijn moeder zag met lede ogen aan, hoe ik almaar naarder en naarder ging kijken met een vertrokken gezicht van de pijn. Pijnstillers konden niets afdoen aan de pijn. Mijn vader kwam om half zeven thuis van zijn werk, hij schrok zich bijna wild bij mijn aanblik.
“Wat is er toch in hemelsnaam gaande, je kijkt zo wit als een doek?” vroeg hij me. “Pap ik heb toch zo een erge kiespijn. Ik weet gewoon niet waar ik het zoeken moet,” wist ik uit te brengen. “Ja, maar meisje, dat kan toch niet zo. Zullen we niet eens naar de tandarts gaan?” vroeg hij me, in de wetenschap dat ik daar niet zo blij mee zou zijn. “Dat is mij prima, als ik maar snel van die kiespijn afkom. Al moet hij eruit, ik vind alles best!”
Wat ik al dacht, die kies moest eruit. Een forse verdovingsspuit hielp me al een heel eind op weg. Ik voelde de pijn al niet meer en wilde eigenlijk al weer naar huis. Dat dit niets uit zo halen, wist ik ook wel. Lijdzaam ging ik op de stoel liggen. De klus was, al met al, binnen een kwartier geklaard en we konden weer naar huis. De pijn was weg, zo ook mijn kies, dat de ellende toen pas echt zou beginnen had niemand kunnen voorzien.
Terwijl de finale wedstrijd in volle gang was, moest ik regelmatig naar het aanrecht lopen om mijn mond te legen. Het bloed bleef maar stromen. Niet alleen bloed vulde mijn mond steeds, grote proppen van een bloederige, slijmachtige substantie spuugde ik steeds in het aanrecht. De watten die mijn kiesholte zolang op moesten vullen, konden de bloedstroom niet verwerken. Sterker nog ze liepen ervan over. Er was mij nog nooit een kies onttrokken, dus ik wist niet beter of dat hoorde zo.
Bij elke bal die het Argentijnse doel vulde, ging er een gejuich op in onze huiskamer. Ik raakte echter steeds minder goed gestemd en steeds meer bloed kwijt. Het gejuich werd spoedig minder, toen Argentinië aan de winnende hand raakte. Het was in zijn geheel over toen Nederland de wedstrijd uiteindelijk verloor. Het “We are the Champions” gold voor de tegenpartij. Joah was daar voor lange tijd niet over te spreken. We hadden gewoon moeten winnen!
Hoe meer bloed ik verloor hoe vermoeider ik raakte natuurlijk, maar ik ging gewoon naar bed, want ik was moe. De pijn was weg, dus ik sliep direct en als een roos.
`s Morgens ontwaakte ik met een vreemd leeg gevoel. Op het moment dat ik mijn ogen wijd open had, wist ik niet wat ik zag. Overal waar ik keek zat bloed. Mijn kussen zat er mee onder. Tegen de muur zat het. Mijn haren zaten aan elkaar geplakt. Mijn lakens, dekens, het matras. Je kon het zo gek niet bekijken, of er zat bloed op, aan of in!
Mijn moeder was net bezig de bedden af te halen, om ze te verschonen, dat kwam dus goed uit. Ik riep haar met een zwak stemmetje. Ze kwam echter nog niets vermoedend mijn kamer op gelopen. Ze schrok enorm van het tafereel dat ze aantrof. Ze kon op haar vingers natellen wat er aan de hand was.
“Kom maar gauw uit bed, dat we je eens schoon wassen,” was haar reactie, alle paniek die ze voelde voor mij verbergend.
‘Opstaan, ja opstaan, dat leek me wel iets,’ drong traag tot me door. Alles ging zo traag, denken ging zelfs traag. Uit bed stappen ging nog net, toen viel ik en werd alles zwart.

Met de vage gewaarwording dat ik iemand hoorde huilen, kwam ik weer bij mijn positieven. In de huiskamer op de grond lag ik, voor de kachel onder en op een deken. De buurvrouw stond in de deuropening, zij was degene die ik hoorde huilen. Zij was zo ontzettend geschrokken van mijn aanblik. Ik zag letterlijk en figuurlijk bijna lijkwit. Ze dacht dat ik dood was! En als ik het al niet was, zou ik het volgens haar alsnog gaan.
“Je hoeft niet bang te zijn, er is niets aan de hand.” Iets in mij was er van overtuigd dat, dit niet mijn einde betekende en dat wilde ik haar laten weten. In mijn miserabele toestand, had ik met haar te doen. Dat was het enige wat ik uit kon brengen. Ik zonk alweer terug in een prettig gevoel van vergetelheid.
Met zo een zelfde vage gewaarwording werd ik, ik weet zelf niet hoeveel later, bij mijn positieven gebracht door mijn vader. Die probeerde me, door aan mijn arm te schudden, wakker te maken en dat lukte. Hij vroeg me of ik kon proberen op te staan. Mama had hem van zijn werk naar huis gebeld. Ze had zelf niet geweten wat met mij aan te moeten vangen.
De tandarts was al gebeld en de situatie uitgelegd. Of ze maar snel met me langs wilde komen, dan kon hij, in de wond een hechting aanbrengen. Mijn kaakholte was opengetrokken, door de diep gewortelde en tegen elkaar gebogen wortels.
Hoeveel bloed ik toen verloren heb, is niemand ooit duidelijk geworden. Ik heb me lang nog slap gevoeld daarna. Was ik toen dood gegaan had me dat weinig uitgemaakt, de voorbestemming besliste echter anders. Dood was vanaf toen, voor mij een prettige vorm van vergetelheid. Zij die dood waren en naar de hemel waren gegaan, hadden het goed. Dat wist ik net zo zeker, als dat ik zeker wist dat ik nog steeds leefde!

Hoofdstuk 08 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

09 Inspiratie Uit Het Niets

1983

Na de eerste vier jaar middelbare school, wist ik eigenlijk nog niet wat ik wilde. Iedereen uit onze examenklas had wel een idee, welk beroep ze wilden uit gaan oefenen. Ik had mijn diploma op zak, dat was alles wat ik wist. Daarmee was dan ook alles meteen gezegd.
Het leek me geen verkeerd idee, om er dan nog maar een paar jaar middelbare school aan te plakken. Het zij op een hoger niveau.
Met hetzelfde pretpakket op naar de volgende school dus. Het ging er daar heel anders aan toe dan dat ik gewend was. Vol goede moed elke ochtend maar weer op de fiets, om nog meer vocabulaire in mijn hoofd te kunnen prenten. Veel meer kennis deed ik daar verder niet op. Veel meer kennissen kreeg ik er wel bij.
Eén van hen was Jan, hij was leraar Duits voor de onderbouw. Met hem kon je lachen, ik wel in elk geval. Het was blijkbaar niet de bedoeling geweest dat ik les van hem zou krijgen. Dan had ik vast ook minder lol met hem gehad.
Onze lessen Engels, Duits en Nederlands werden in de nieuwbouw gegeven, op de begane grond. Jan had zijn lokaal daar ook. Voor mij een reden, om telkens erg veel zin in de taallessen te hebben. Het lag gewoon in onze kaarten dat wij elkaar tegen waren gekomen. Om hem tegen te moeten komen was ik daar naar school gegaan. Iets anders kon ik er niet van maken.
Hij intrigeerde me mateloos die man. Hij zette bij mij iets in werking, waar ik geen verdere definitie aan kon geven. Waarschijnlijk was ik gewoon verliefd op hem, hoewel verliefd zijn voor mij eigenlijk iets anders was.
In dat eerste jaar daar op school, vond er een verandering plaats in mijn schrijfstijl. Vanaf 1979 was er een extra dimensie voor me opengegaan leek het wel. Ik was begonnen met het schrijven van gedichten, die waren van een bepaalde stijl, waarschijnlijk gewoon mijn stijl. Van de ene op de andere dag echter, begon ik ineens anders te schrijven.
Gedichten die Jan, regelmatig onder zijn neus kreeg om te lezen. Ze hadden blijkbaar wel wat want hij vroeg me of ik het goed vond, dat hij er een paar van overschreef. Om ze te bewaren. Als een soort herinnering aan mij? Daar had ik geen moeite mee, hij ging zijn gang maar.
Klasgenoten van mij waren ook geïnteresseerd in mijn schrijfsels. Regelmatig hoorde ik uit allerlei hoeken, dat ik goed kon schrijven. Om hier nou helemaal zeker van te kunnen zijn vroeg ik mijn leraar Nederlands, neerlandicus Lemmens, of hij mijn werk eens zou willen lezen en voorzien van commentaar. Daar was hij wel genegen toe, een onpartijdige, professionele mening daar had ik in elk geval wat aan.
“Dit is goed hoor Neel, dit moet je naar een uitgeverij sturen, die willen daar vast wel iets mee,” was Lemmens zijn onpartijdige mening. Dat was dat, ik kon daar dus niets mee. Waar bleef het commentaar? De op- en aanmerkingen? Dit had ik gewoon niet verwacht.
Ik wilde alleen maar weten, wat er fout was aan bijvoorbeeld.

‘vol verwachting wandelen
kevers door mijn hoofd,
levend op het geestelijke
in gevoelens die ik vergaar,
stilzwijgend,
knagend aan de pijnen,
die mij vullen.’

Er was volgens hem niets mis mee. Wat hij me wel meegaf was, “schrijvers blijven hun werk altijd herschrijven, al is het al gebonden dan willen ze het nog herschrijven!”
Onze literatuurlijst stond vol, met grote namen zoals, Claus, Bordewijk, Heeresma, Wolkers en noem er maar nog meer op. Die waren ook ooit begonnen met naar een uitgeverij te stappen. Het ging mij een beetje boven m’n pet, en zag mezelf niet in dezelfde rij vernoemd. Hoe dan ook, wanneer dan ook. Ik kon er gewoon geen vat op krijgen.
Wat is literatuur? Dat wat ik schreef? Nee, dat ging er bij mij niet in!

Later deed ik heel veel moeite, om in dezelfde stijl verder te schrijven. Het was er echter niet meer. Dat was voor toen en niet voor nog meer later. Waar de inspiratie vandaan kwam, uit de lucht? Precies weet ik het niet. Wat ik wel weet is, dat het uit een dimensie kwam, waar ik op eigen houtje geen informatie uit kon putten. Dat stond voor mij wel vast! Het was me aangereikt. Ik had mijn handen uitgestrekt, om het aan te kunnen pakken en dat was me gelukt. Die samenwerking met ik weet niet wie, was een vruchtbare samenwerking geweest. Vragen om meer bleef een vruchteloos pogen!

Jan had mij geïnspireerd, mijn gevoel voor hem had mij geïnspireerd. En daar moest het bij blijven. Hoe het rad van karma ook zou wenden of keren; hem zou ik de rest van mijn leven tegen blijven komen, dat wist ik heel zeker en dat zei ik hem ook, dit bleek één van mijn eerste heldere ingevingen te zijn geweest!

Hoofdstuk 09 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

10 De Realiteit Een Feit

1984

In de zomer van dit wonderbaarlijke jaar, leerde ik Sjack kennen. Vanaf de eerste oogopslag, die mij bewust maakte van zijn aanwezigheid, wist ik dat ik met hem iets zou krijgen. Met die wetenschap ging per direct een andere gepaard, het zou geen ‘everlasting story’ worden. Het voelde alleen, zo overduidelijk dat het zo moest zijn. Bovendien was er voor mij geen ontkomen meer aan, want ik werd verliefd tot ver over mijn oren.

Dit was vanaf het begin niet wederzijds, en dat is het ook nooit geworden. Niet dat dit aan de situatie iets afdeed. Blijkbaar moest ik iets met hem, en hij met mij, want we kregen een relatie, die zeven jaar stand hield. Die zeven jaren gingen niet over rozen. Het was blijkbaar de tijd geworden, dat ik hard aan mezelf ging werken. Daar had ik deze relatie voor nodig. Wat er tot stand kwam in mij, had ik me in een andere relatie nooit eigen kunnen maken.
Dit had alles te maken met zelfrespect, zelfvertrouwen, zelfstandigheid en zelfstrijd. In zeven jaar tijd leerde ik mezelf kennen, zoals niemand mij nog kende. Ik groeide uit van deurmat tot deurpost en van onderdeur tot voordeur. Van afhankelijk naar onafhankelijk en van ‘wegduwer’ naar ‘voortstuwer’.

De confrontatie met mijn innerlijke eenzaamheid, in deze relatie, leerde mij veel over het leven zelf, vooral waar het in deze om ging. Dat je moet leren inzien dat het leven ‘hard’ is, maar ook ‘hart’ kan zijn. Dat liefde onvoorwaardelijk levenslang behoort te zijn.
Onze zelven waren echter niet levenslang verenigbaar. Ik wist het, maar ging er een strijd mee aan. Met voorbestemming valt niet te ruziën echter, het laat er zich niet toe verleiden gewoon weg. Het is bij voorbaat een strijd, die je gaat verliezen. Altijd!

Met karma valt niet te spotten namelijk. Karma is en zal altijd zijn. Karma is het zijn in het zijn. Het hemelse uit de hemel. Het kosmische van de kosmos! Al die tijd, altijd!

Hoofdstuk 10 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

11 Vibraties Uit Het Verleden

Leiden, 1984

In datzelfde wonderbaarlijke jaar kwam ik uiteindelijk ook de man tegen, die wel voor een leven lang voorbestemd bleek. Alleen op een heel andere manier dan ik kon vermoeden.

“Ze komen naar Nederland. Ze spelen in September in Leiden,” zei ik tegen mijn jongste broer, Tonnis. We zaten samen in de huiskamer van ons ouderlijk huis. In één van de wekelijkse muziekbladen las ik het verheugende feit dat Queen voor een concert in Leiden, naar Nederland, zou komen.

“Wie spelen er in Leiden?” hij keek naar me op, vanuit het boek dat hij zat te lezen. “Queen komt naar Nederland. Daar ga ik dus heen hè, dat snap jij natuurlijk wel!” stelde ik zo vast als een muur. Ik wist dat ik daar bij aanwezig zou zijn. Al lagen de mogelijkheden, om er te komen en vooral om weer thuis te komen, niet voor de hand. “Oh ja, ga jij daar heen. Hoe denk jij dat te gaan doen?” Daar had je dus de vraag, waar ik het antwoord nog niet op had. “Dat weet ik nog niet. Daar maak ik me ook niet zo druk over. Ik ga daar toch gewoon bij zijn,” was mijn, waarschijnlijk ingegeven, reactie. “Hoe gemakkelijk je er ook over denkt, het zal niet gemakkelijk gaan.” Of er ergens een schot gelost werd, zei hij ineens “Als je maar niet denkt, dat ik mee ga!” Dat had ik ook niet gedacht, maar ineens dacht ik dat wel. “Natuurlijk wel! Je hoeft toch niet mee te gaan kijken. Je kunt me toch gewoon wegbrengen en later weer ophalen?” hem aansprekend op zijn broederliefde. “Ja bekijk het even. Zie je mij al op-en-neer rijden naar Leiden, ik niet.” Daar was de kous mee af, dacht hij!

‘s Avonds tijdens het eten aan tafel, begon ik er over met mama. Dat Tonnis me kon brengen en halen leek mij een kleine moeite. Wat zei er op te zeggen had? “Het is anders wel een eind hoor, naar Leiden op-en-neer,” stelde ze. Ergens vond ze dat het wel de enige optie was. Tonnis die wist dat ik er toch niet over op zou houden, was al begonnen er over na te denken. Per trein had nog gekund natuurlijk. De Nederlandse Spoorwegen zijn alleen niet zo aardig dat ze je ook weer thuis brengen. “Oké, ik ga wel mee. Dan breng ik je naar Leiden. Als ik je af heb gezet ga ik wel bij tante Ria op bezoek, dan hoef ik maar terug te rijden tot Rotterdam. Dan bel je maar op als het afgelopen is, dan haal ik je in Leiden wel weer op. Kunnen we de deal zo maken?” Of we de deal zo konden maken? Ik kon hem wel zoenen!

“Mam is het goed dat ik tante Ria bel na het eten. Ik wil wel zo snel mogelijk weten, of dat kan. De voorverkoop begint overmorgen al!” Niets mocht er nog in de weg staan, tussen mij en Leiden, daar wilde ik zeker van zijn. Tante Ria vond het een prima idee. Ze zouden thuis zijn. Als ze al niet thuis zouden zijn geweest, zouden ze er voor thuis zijn gebleven. Die deal was gemaakt. Ik kon dus gaan! Het enige dat ik nog moest doen was, op de dag van de voorverkoop, ‘s morgens vroeg om zes uur, bij het VVV-kantoor op de stoep gaan liggen. Met alle soorten van genoegen! Dat kaartje ging er komen daar zorgde ik zelf wel voor. Diezelfde avond nog ging de telefoon. “Neel, telefoon voor jou, het is Jan van tante Ria,” riep mijn moeder terwijl ik al op mijn kamer was om te gaan slapen. Jan, mijn neef uit Rotterdam. “Moment, zeg maar dat ik er aan kom.” Ik liep de trap af en wist al, wat hij zou gaan vragen. “Hoi, met mij. Hé, jij gaat naar Queen? Is het goed als ik mee ga?” Wat ik al dacht dus. “Ja, dat is prima, gezellig, dan hoef ik niet alleen. Overmorgen begint de voorverkoop, ik haal de kaartjes wel oké? Dan hoef jij daar niet, ook voor op de stoep te gaan liggen ‘s morgens vroeg. Die kaarten zijn natuurlijk zo uitverkocht. Dat snap jij natuurlijk wel hè?” De afspraak was gemaakt, we zouden elkaar de 20ste September zien.

Een drukte van belang. Rijen mensen, die in de juiste banen geleid werden, door de mannen van de beveiliging. Vier wegen waren er aangelegd met behulp van dranghekken. Elk een weg banend, richting één van de vier ingangen. Het zou om acht uur beginnen. Wij waren er om zeven uur al, dat was gezien de drukte achteraf maar goed ook. In de wachttijd, kreeg ik de ruimte om alles in me op te nemen; een gedeelte van het parkeerterrein, was als markering met dezelfde dranghekken afgezet. Als markering, het was dus niet de bedoeling dat je daar als bezoeker je auto neer ging zetten. Wat er op dat parkeerterrein allemaal wel niet stond. Het ging mijn voorstellingsvermogen ver te boven. Het enige wat ik deed, was eigenlijk een beetje verbaasd kijken. Wel wetende dat al die voertuigen de Queenmachine draaiende moesten houden. Vrachtwagens! Niet een paar, nee een hele rij! Ik schat dat er een stuk of vijftien stonden. Dan die limousines, die maakten eigenlijk nog de meeste indruk op mij. Met de aanblik van de limousines, kwam direct het besef opzetten, dat dat de auto’s waren waarin zij hierheen waren gekomen. Dus ze waren er al!

De deuren van de hal gingen open. De mensenstroom kwam langzaam op gang. Wij waren maar lukraak ergens gaan staan. Dat lukraak bracht ons echter, naar de beste plaatsen die je hebben kon. Op de vierde rij van voren! Niet te dicht onderaan het podium, zodat je een stijve nek zou krijgen van het omhoog kijken. Nee, we stonden op de juiste afstand, om ze goed te kunnen zien. De voorzienigheid was ons bijzonder goed gezind geweest. Voor we te zien kregen waar we voor gekomen waren, werden we eerst nog getrakteerd op een voorprogramma. De ‘support-act’, was een band met de naam ‘Air Race.’ Ze konden mij in elk geval niet bekoren. Eén of andere semi-hardrock band uit het Verenigde Koninkrijk.

Dat voorprogramma duurde niet alleen mij te lang. De rest van de mensen in de zaal, vonden het ook maar niets eigenlijk. Dit was te merken aan de lauwe reactie, en het uitblijven van applaus. Die jongens stonden al snel vrij gedemotiveerd te spelen. Maar aan alle dingen komt een eind, zeggen ze. Na een half uur zwoegen gooide ze er de pannen op. Dat deed het applaudisseren wel loskomen.

Na een pauze van tevens een half uur, waarin het podium werd omgebouwd, ging er aan de achterkant van het podium een scherm omhoog. Twee enorme wielen werden zichtbaar. Dit waren dezelfde raderen, die gebruikt werden bij de ‘Radio GaGa’ videoclip. In de zaal brak het tumult los! Aan het wachten leek een eind te zijn gekomen. We kregen de eerste klanken van ‘Machines (Back To Humans)” te horen en wisten dat ze zo op zouden komen. Ieders blik was gericht op het podium.

We werden een beweging gewaar aan de achterzijde van het podium, daar kwam drummer Roger Taylor als eerste op. Als ik al dacht, dat even eerder het tumult was losgebroken! Daar kwam ik snel van terug. Het publiek deed er nog even een schepje boven op. Hartelijk welkom Mr. Taylor dus. Roger werd nagenoeg direct, op de voet gevolgd door bassist John Deacon. Het publiek hield niet meer op, met uit hun dak gaan. Brian May maakte zijn opwachting, met zijn zelfgebouwde “Red Special’ al om zijn schouders. De gitarist was er dus ook al. Waar bleef de zanger dan! ‘Machines’ bouwde, met de opkomst van de muzikanten, langzaam op. En ineens was hij daar. Met zijn eigen flamboyante manier van op komen. The One and Only, Mr. Freddie Mercury! Het geroep en gekrijs vanuit de zaal bereikte daarmee een hoogtepunt.

Met het opkomen van Freddie kwamen bij mij de tranen. Waar al dat water in mijn hoofd opgeslagen had gezeten, is nog steeds een raadsel. De tranen stroomden alsof ze, tot dit moment, hadden gewacht met losbreken. Na al die jaren zag ik hem ineens echt. Er gingen gedachten door mijn hoofd als, ‘Shit hij is het echt’ en ‘Niet te geloven zeg.’ Van ‘Eindelijk na al die jaren’ tot ‘Hier heb ik nou mijn hele leven op gewacht.’ Het was niet zo, dat ik daar zwaar stond te janken. Er kwamen alleen maar geluidloos, heel veel tranen uit mijn ogen gerold.

Daar stond hij ineens, recht voor mijn ogen en mijn kijk op de werkelijkheid werd ineens een feit. De golven, die er door me heen sloegen gedurende dat concert, waren van een niet aardse aard. Waar ze dan wel vandaan kwamen? Uit het verleden, en dat verleden werd vermengd met het heden. Hij voelde aan als een oude bekende, en ik wist niet waarom. Het voelde alleen maar zo, het voelde gewoon goed, maar dat is dan wel zwak uitgedrukt!

Hij voelde als dierbare, alleen wist ik niet van hoelang geleden. Hij voelde als mijn vriend, dat benaderde nog het beste de realiteit, in gevoelswaarde. En een dierbare? Dat moest me ooit nog duidelijk gaan worden. Dat kon ik op dat moment, echt niet plaatsen! Dat zou later komen, met het vallen van de hamer!

Voor ik er goed en wel erg in had, was het concert voorbij. Aan alles komt een eind, behalve aan het eindeloze. Het was eindeloos geweest. Zonder einde. Toch wist ik, dat dit de eerste en laatste keer was geweest, dat ik hem gezien had. Met een intens verdrietig gevoel ging ik naar huis. Ik wist niet waar dat verdriet bij mij opgeslagen lag. Het was er gewoon. Het kwam er gewoon uit. Misschien kwamen ze nog wel vaker naar Nederland? Ik kon altijd nog een keer naar hem gaan kijken, toch!? Iets in mij wilde het niet weten gewoon. Verzette zich tegen het idee dat, dit de laatste keer was geweest dat ik hem had gezien. Maar het rad van karma, synchroon wentelend met onze voorbestemming, had een wending genomen. Daarmee was er weer een puzzelstukje op de juiste plaats gelegd!

Hoofdstuk 11 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

12 Spiritualiteit In Synchronici-tijd

1985

De jaren die volgden, beleefde ik als een wervelstorm, waarin allerlei onverhoedse zaken over mijn levenspad denderden. Het waren zaken, die alles te maken hadden met het ongelijkwaardige in de relatie met mijn vriend, Sjack. Dat had zo zijn uitwerking op verschillende vlakken van mijn zijn. Mijn gemoedstoestand verging het van super gelukkig, omdat hij toch blijkbaar wel graag bij mij wilde zijn. Tot uiterst down, omdat ik voelde dat het een aflopende geschiedenis was. Mijn enige uitlaatklep, gedurende die jaren, was het altijd aanwezige, geduldige papier. Het inspireerde me wel enorm. Er kwamen talloze gedichten onder mijn pen en uit mijn hoofd vandaan. In 1985 schreef ik als volgt, mijn emoties van me af.

Elf Mei,
‘wanneer mensen
muzieknoten worden,
en bloemen instrumenten,
zullen,
de mooiste symfonieën aller tijden,
gecomponeerd worden’.

Goed gehumeurd, onder de indruk en invloed van de lente. Met al het groen om me heen en de fluitende vogels, overal. In de heggen, struiken, bomen en onder de dakpannen van de huizen. Een nieuwe energiestroom blies me leven in. Melancholie zorgde toen voor de uitspraak ‘als ik dood ga zal ik dat het meeste missen, het fluiten van de vogels.’
Na het genieten van de zon en het water in de zomer, kwam de herfst met zijn regenbuien. Je was dan eerder geneigd tot binnen blijven, en kreeg meer tijd om na te denken. De wantoestanden in de wereld, waren mij altijd al een doorn in het goed oplettende oog geweest, en nog. Met het waaien van de winden op windkracht vijf kwamen de golven inspiratie.

Negen Augustus,
‘er zijn nog steeds mensen,
die mensen doden,
en die mensen, dat zijn wij.

er zijn nog steeds mensen,
die dieren afslachten,
en die slachters, dat zijn wij.

er zijn nog steeds mensen,
die het milieu vervuilen,
en die vervuilers, dat zijn wij.

er zijn nog steeds mensen,
die klagen over
onze verrotte maatschappij,
en die klagers,
die klagers, dat zijn wij,

wij, stichters van geweld,
stichters van onvrede,
waarom denken we niet samen na?
en stichten,
één grote wereld, vol vrede!’

De winter, de winter zorgde er altijd al voor, dat ik tot mezelf kon komen. Als winterkind geboren was dit altijd mijn tijd. De heerlijke vrieskou, met zijn waterig zonnetje, zorgde ervoor dat ik weer lekker vast in mijn systeem kwam te zitten. Gevoelens van intens geluk met mezelf en de heerlijke wereld om me heen. My joyful winter-wonder-land.

Twintig September,
‘in mijn diepe diepten,
krijgt iets kleins gestalte,
het groeit, wordt wezen, wordt liefde,
groter en groter,
mijn gevoel, mijn verbintenis,
met dat kleins.
onder mijn handen,
wordt het mens,
in mijn ziel neemt het plaats.
iets wat al bestond,
iets wat al leefde,
krijgt in mij, opnieuw gestalte.

De Nieuwjaarsfestiviteiten alweer gepasseerd, besefte ik me hoe vrij ik eigenlijk was? Om mens te mogen zijn! Te leven in een wereld waarin, op zoveel andere plaatsen mensen onrecht werd aangedaan. Terwijl ik, geboren in een land waar alles zo goed geregeld leek, me toch af ging vragen wat vrij zijn nou eigenlijk is.

‘je bent pas vrij,
zolang het je niet uitmaakt,
of het dag of nacht is,
zomer of winter.’
‘vrij als momenteel,
zuiver als wel reëel,
ben jij, mijn innerlijke ik.’

Hoofdstuk 12 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

13 Van Zielenzaad Tot Zielendaad

1988

En ‘omdat ik contrabassen hoorde, in plaats van violen, heel even maar, alsof er een walvis schaterlachte,’ werd er in mij een moederinstinct geboren. De natuur ging in mij gewoon zijn gang. Alleen had ik van mezelf niet verwacht ooit moeder te zullen worden. Vriendinnen van mij kregen kinderen, de één na de ander. Bij het zien van de band tussen mijn vriendinnen en hun kinderen, ontwikkelde er zich in mij een kinderwens. Een klein hummeltje om voor te kunnen zorgen, leek mij het mooiste, wat me kon overkomen. Ik wilde een kind op het moment dat ik dat wist, wist ik ook dat ik er één zou gaan krijgen. Het stoppen met de pil was dan ook een weloverwogen beslissing. Sjack, mijn vriend, zou de vader gaan worden, hij was er echter niet klaar voor. Dat maakte voor mij niet uit, ik kon vader en moeder tegelijkertijd zijn. Wanneer ik zwanger zou raken? Dat zou ik dan wel zien. Als de tijd er rijp voor zou zijn, dan pas zou het gebeuren zo zag ik dat. Een heel proces van zelfkennis was er aan vooraf gegaan. ‘Wilde ik ook een kind, als ik er alleen voor zou komen te staan?’ Want dat zou gaan gebeuren, dat wist ik. ‘Ja, dat wilde ik. Zou ik het alleen wel kunnen? Ja, dat zou ik kunnen. Zou ik de verantwoording wel kunnen dragen, mijn kind te vertellen hoe zij op de wereld was gekomen. Dat ik haar graag wilde, maar dat haar papa eigenlijk liever nog geen kind wilde? Ja, die verantwoording zou ik kunnen en ook gaan dragen.’ Al met al kwam ik tot de volgende conclusie,

‘Ken iedereen en alles, door jezelf, te kennen, te geven,’
Samen met dat, ook het volgende:
‘Hoe bewuster in je bewustzijn, hoe reëler in je realiteit,’

Hoe dieper ik in mezelf leerde kijken, hoe bewuster ik me werd van de werkelijkheid, van mezelf en de totale realiteit, dat ik was die ik was, en dat ik het daar mee moest doen. Geen illusies. Geen irreële denkbeelden over mezelf. Gewoon de waarheid. Mijn innerlijke waarheid.
Had ik een kind eigenlijk wel iets te bieden? Ja, ik had mijn kind mezelf te bieden, en dat was heel wat. In staat vanuit een kindje, een integer mens te laten groeien. Dat zou mijn taak worden, want integere mensen waren er naar mijn idee nog veel te weinig op de wereld.
Negen maanden na het stoppen met de pil was het zover. Totaal niet bezig geweest met zwanger raken, toch zwanger geraakt. Op 29 mei wees de test uit, dat ik een vruchtje in me droeg, al zeven weken. Uit één van mijn schrijfsels van die tijd bleek, dat iets in mij wel degelijk wist, dat er iets gaande was in mij. Op 29 april bleek ik dit geschreven te hebben,

‘Resoluter dan ooit tevoren, wordt in mij een licht geboren, gelijk grassprieten een weiland delen,
Kom je terug, op zoek naar je wortels, zoals zovele.’

Dat we elkaar al kenden! Van hoe lang geleden? Het was me niet duidelijk, het zou me vast duidelijk worden ooit! Dat ze er al ooit eerder was geweest, stond voor mij wel vast. Incarnatie en reïncarnatie, waren voor mij toen nog onbekende termen. Bewustzijn en onderbewustzijn besefte ik steeds meer, zijn niet voor niets twee verschillende termen. Wat je bewustzijn niet weet, kan je onderbewustzijn wel weten. Sommige dingen wist ik gewoon, niemand had me dat verteld, toch wist ik het. Dat ik uit een onzichtbare bron kon putten, dat was me overduidelijk. Dat die bron iets van mezelf was, of dat het aan me vast zat, in elk geval zoiets. Dat wist ik allemaal wel. Dat als we dood gingen dat het dan niet ophield wist ik op dezelfde manier.
Om dan terug te komen op aarde in een ander lichaam? Nee, dat wist ik niet. Hoe moest dat dan in zijn werk gaan, hè? Op het moment dat ik zwanger raakte, werd me dat wel duidelijk. Ineens had ik energie voor twee. Waar kwam dat ineens vandaan?
Zwangere vrouwen behoren toch moe te zijn. Nee, ik niet. Ik kon bergen verzetten. Nog nooit had ik zoveel energie gehad. Dit moest wel veel meer zijn, dan gewoon zwanger zijn. Het werd altijd zo simpel weergegeven. We waren een onderdeel van iets heel groots, dat kon niet anders. Iets heel groots dat ooit net zo klein was begonnen als dat piep kleine wezentje in mij. Volgens mij zat het zo,

‘de oersoep, het oerstof,
gegroeid van minuscuul,
tot wezenlijk prachtig,
zoals een vrouw,
nu nog zwanger raakt,
of een dier drachtig,
daarin kun je,
alle begin vinden,
wis en waarachtig.’

De test wees uit dat ik zwanger was geraakt. Een dochter zou ik krijgen, dat wist ik zo zeker als wat. Ja, als wat eigenlijk? Sjacks reactie was ook een hele frappante, “zo dus jij wordt de moeder van mijn dochter.” “Hoe kom je daar nou zo bij?” “Vanaf mijn zestiende weet ik al, dat ik op mijn dertigste vader zou worden van een dochter.” “Dat komt goed uit, want we krijgen ook een dochter,” was mijn reactie. Of het zo hoorde, of het zo moest zijn. Niet of, het moest zo zijn, het hoorde zo. Het leek wel afgesproken werk. Wij moesten samen een kind op de wereld zetten, dat heeft zo moeten zijn.
Mijn zwangerschap doorstond de volle negen maanden. Precies op de uitgerekende datum beviel ik van, jawel, een dochter. Vanaf het moment dat ik haar voor het eerst zag, overviel me een gevoel van ‘over mijn lijk, dat hier ooit iets ergs mee gebeurd.’ Met mijn eigen leven zou ik haar gaan beschermen, dat wist ik zeker. In een groene doek gewikkeld, kreeg ik haar in mijn armen. We keken elkaar aan, en ik wist dat dit goed zat. Wie dit zo geregeld had, mij was het juiste kind geschonken. Een gevoel van grote dankbaarheid overspoelde me.
Later probeerde ik dat moment vast te leggen op papier. Woorden schoten alleen te kort, om precies weer te geven wat je op zo een moment precies ervaart. Eigenlijk gaan alle woorden, welke dan ook, mank. Toch beschreef ik het zo,

‘Zoals je al kunt kijken, als een grote mens,
Zo werd jij geboren mijn lieve grootste wens.’

Mijn moeder instinct stond per direct op scherp. Op het moment dat ik haar naar buiten had geperst, en haar zag,

‘Mijn hele gebeuren, was direct op jou afgesteld,
Dat wie weet wie? Dat aan mij had verteld.’

“Een meisje, zie je dat. Het is echt een meisje,” was het eerste wat ik zei tegen Sjack, die erbij stond en er naar keek. Zo verwondert, dat wat wij allebei al wisten nog klopte ook. Samen met mijn wonder, kwam er in diezelfde periode, in de muziekwereld, Queen’s ‘The Miracle’ tot stand. Hoe miraculeus!
Ook al was hij er niet klaar voor vader te worden. Zelden heb ik zo een voorbeeldige papa zien ontstaan als Sjack. Alles deed hij met ‘r. Luiers verschonen, flesje geven, in bad doen niets was hem teveel. Het was echt zijn dochter. Zo voorzichtig en toch zo handig ging hij met haar om. Het was de mooiste tijd, die we samen hebben gehad. Dit deed echter niets af aan ons gevoel voor elkaar. Het was er gewoon niet, dat mocht zo nou net weer niet zijn. Het zat er gewoon niet in. In het jaar dat ons dochtertje twee werd, gingen we dan ook uit elkaar. Met de belofte dat hij te allen tijde op bezoek kon komen, verbrak ik de relatie. Ik zou het contact, tussen hen, nooit in de weg gaan staan. “Of één van jullie moet er geen zin meer in hebben, dat is dan tussen jullie.” Of ik het al aan zag komen, vanaf een afstand in tijd dan.

In een periode van drie jaar zag ze hem de eerste tijd bijzonder weinig, waarna het contact weer tot stand kwam alsof het nooit anders was geweest Hoe die karmische afspraak gemaakt is? Dat weet ik niet. Wel weet ik, dat ze veel van hem houdt. Ze is steeds blij als ze hem weer ziet. Missen hoeft ze hem echter niet. Ze vindt het wel goed zo eigenlijk. Dat moest blijkbaar ook zo gaan! Hoe het ook allemaal gelopen is, ter afscheid van onze relatie schreef ik dit,

‘Dank je, voor alles dat tussen ons was, en vooral voor wat je me hebt gegeven, in zien, doen en beleven.’

Hoofdstuk 13 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

14 Zij Die Dachten Te Weten

Op een zonnige lentemiddag fietste ik met mijn dochtertje in het stuurstoeltje, naar ons thuis huis. Daarin waren wij twee zielen, één gedachten. Als het zonnetje maar even zijn gezicht liet zien, wilden we naar buiten het liefst op de fiets. De honden naast ons mee rennend als het even kon en meestal kon dat. Langs de vijver, eendjes kijken en voeren, naar de kinderboerderij, het was ons om het even als we maar buiten waren.
Na het dicht doen van de poort, zette ik mijn fiets in de haag, mijn meisje al op mijn arm. “Je hebt de koffie zeker geroken,” zei mijn moeder, toen we binnenkwamen. “Daar heb ik toevallig wel zin in ja. Is papa niet thuis?” “Jawel, die zit zoals gewoonlijk op zolder.” Mijn vader had op de bovenste verdieping van het huis zijn hobbyruimte. Hij kon daar uren bezig zijn met het uittekenen en bouwen van modelvliegtuigen.
Het koffiezetapparaat pruttelde langzamerhand zijn laatste waterdruppels uit. De kopjes had ik al op de keukentafel gezet, ik schonk ze vol en bracht ze naar de huiskamer. Mama verschoonde intussen mijn dochtertje. “Papa, koffie!” riep ik richting boven. Een flesje gevuld met chocomelk nam ik als laatste mee.
Papa kwam naar beneden. Voor ik mee aan tafel schoof, haalde ik uit één van de lades van de kast een weekblad, waar ik doorheen begon te bladeren. Mijn moeder dronk haar kopje leeg onder het genot van mijn kind op haar schoot. Dat deed ik altijd bij mijn moeder, de wekelijkse tijdschriften inkijken.
“Welke heb je daar?” vroeg ze, doelend op het tijdschrift dat ik in mijn handen had. “De Story,” op de voorpagina van het blad kijkend. “Moet je de Privé eens pakken. Daar staat een stuk in over Freddie Mercury. In elk geval zeggen ze dat hij het is. Ik zie het er niet aan af.” “Ergens op één van die bladzijden, met die korte stukjes, staat het,” liet ze weten met de nodige bladerende handbewegingen. Op haar aanwijzingen, ging ik door het tijdschrift heen. “Ja, dat heb ik ook gelezen ” zei mijn vader. “Dat is niet zo mooi.”
Waar hadden ze het nou eigenlijk over? Wat moest er wel weer niet instaan. Vast weer een hoop gelul! Daar was het artikel dan, ergens in het midden van het blad. Een foto ondersteunde de bijgaande tekst. Eerst bekeek ik de foto. Een vaag plaatje.
Twee mannen op afstand. De man in het lichtblauwe pak, was zeer zeker te weten wel Freddie. Hoe ik dat wist? Echt goed zien kon je het namelijk niet!
Hij zou daar, volgens het artikel, samen met zijn dokter, Gordon Atkinson, uit een kliniek komen. ‘The Sun’ had zijn werk weer gedaan. Konden ze die man dan nooit eens met rust laten. Die kliniek zou gespecialiseerd zijn in het onderzoeken van het Hiv-virus. Ik schrok me wild! Mijn Freddie had dus aids! En als hij het nog niet had, zou hij het nog krijgen. Besmet was hij dus al.
Mama zag mijn gezicht vertrekken, “Dat hoeft helemaal niet zo te zijn hoor, zoals het daar staat.” Dat wist ik zelf ook wel, dat er in de regel een hoop aangedikte kwats in stond. Dit was echter iets heel anders. Ik wist dat het de waarheid was. Ik wist het gewoon zeker. Hij was al zo sterk vermagerd. Hij was nog maar een schaduw van de flamboyante man, die hij eerst was. De foto kon dan nog zo vaag zijn, maar dat zag ik wel!
Zo kwam ik er achter, dat diegenen die altijd wel weer dachten iets te weten, over wie dan ook, uit de wereld der beroemdheden, deze keer gelijk hadden! En ik was er alles behalve over te spreken.
Nadat ik het tijdschrift dicht deed en terug in de kast legde, heb ik er nooit meer met iemand over gesproken. Ik wilde het gewoon niet weten. Het mocht gewoon niet zo zijn! Waarom hij? Maar ik wist wel, waarom hij. Het deed alleen zo ontzettend zeer. Ik bande het uit mijn gedachten en uit mijn gevoel. Daar was de kous mee af, dacht ik.

Hoofdstuk 14 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

15 Onafwendbare Voorbestemming

1991

‘Hoor ik de telefoon nou gaan, of niet?’ met die gedachten werd ik wakker. De wekker vertelde me dat het om en nabij half negen moest zijn. ‘Ja, zie je nou wel, de telefoon gaat!’ Met een sprong was ik het bed uit, ‘Wie belde er zo vroeg zeg?’
“Ja, hallo,” waren de woorden waarmee ik opnam. “Hoi Neeltje, sorry dat ik zo vroeg bel.” Het was Megan. “Heb je het RTL-4 nieuws al gezien?” “Nee, niet echt. Je belde me wakker. De kleine slaapt ook nog. Wat was erop het nieuws dan?” “Freddie is dood. Gisteren is hij overleden, aan een longontsteking ten gevolge van aids.”
‘Freddie, dood! Nee, dat kon niet. Dat mocht gewoon niet.’ Ik stond sprakeloos aan de grond genageld. “Hallo, ben je er nog?” vroeg Megan bezorgd. “Jawel, ik hoor je wel.” “Je was ineens zo stil. Ik dacht even dat je van je stokje was gegaan!” “Nee hoor, ik weet alleen niet wat ik moet zeggen. Hoe kan dat nou? Hoe kan hij nou dood zijn! Hij kan toch niet dood zijn Meg!” Ik kon het gewoon niet vatten.
“Straks om negen uur komt het laatste ochtend nieuws. Dan moet je zelf maar kijken.” Ze dacht even dat ik haar niet geloofde. “Ik geloof je wel hoor, dat is het niet.” Zo een macabere grap zou ze mij nooit leveren, dat wist ik ook wel.
“Ja, ik ga koffie zetten en dadelijk het nieuws dan maar kijken. Ik bel je nog, oké?” Er was in mij geen ruimte om een gesprek gaande te houden. Ook niet met mijn allerliefste vriendin. We spraken af elkaar later nog te bellen, met de woorden die we daar altijd voor gebruiken, ‘We bellen!’
Mijn kleintje sliep zorgeloos verder, wat mij de kans gaf om het nieuws tot me door te laten dringen. De tv zette ik vast aan. Het nieuws zou zo komen. Met een kop koffie in mijn hand ging ik zitten.
“Gisteren avond om zeven uur is op vijfenveertig jarige leeftijd, in zijn woning in Londen, de zanger van Queen overleden aan de gevolgen van aids.” Dit werd verteld door een vrouwelijke Engelse reporter. Die beelden waren blijkbaar, in alle vroegte, naar Nederland doorgeseind.
Ze stond voor een groene poort, met een verticale brievenbus waar een rode roos instak. 1 Logan Place, Garden Lodge stond erop. Die poort was de toegangsdeur tot Freddie zijn tuin. Voor die poort, wist ik op slag, zou ik ook eens staan. Hoe dan ook, wanneer dan ook. Daar zou ik ook komen te staan. Waarom wist ik ook niet. Ik wist alleen dat het zo zou zijn! De hamer was gevallen!
The hammer did fall and the curtains too so I thought they did.
De week die volgde, na die bewuste maandag, voelde ik me met vlagen zo ontzettend naar. Als ik al niet huilde, had ik een beklemmend gevoel over me. Dat was niet één, twee, drie weg te cijferen.
Voor mijn vijfentwintigste verjaardag, in Februari, had ik ‘Innuendo’ gekregen. Die draaide ik vanaf dat moment niet meer. ‘These are the days of our lives’ en ‘The show must go on,’ gaven me de rillingen. Tot overmaat van ramp lieten ze die week ook nog de laatste videoclip zien, die met hem gemaakt was. Een totaal uitgemergeld manneke. Ik kon het niet aanzien! Ik kon er gewoon niet naar kijken! Ik werd er helemaal niet goed van! Akelig en naar!

‘Inside my heart is breaking, my make-up may be flaking, but my smile still stays on. Fairytales of yesterday will grow but never die. I can fly, my friends!’

Wat heb ik gejankt. Nog nooit heb ik om iemand zo gehuild, als om hem, voor hem. Wat moest hij wel niet geleden hebben! De enige troost, die ik kon putten, putte ik uit zijn eigen woorden.

‘Those were the days of our lives,
The bad things in life were so few,
Those days are all gone now,
But one thing’s still true,
When I look and I find, I still love you.’

De elpee heb ik in geen vier jaar daarna gedraaid. Die woorden zijn me wel bijgebleven. Daar hoefde ik de muziek niet voor te horen. Zo bang was ik, dat ik het verdriet zou blijven voelen steeds als ik die afscheidselpee zou luisteren, want een afscheidselpee was het. Een waardig muzikaal afscheid. Een meesterwerk gewoon. Een prachtige manier om ‘tot ziens’ te zeggen. En hij ging, hij kon vliegen en deed dit ook. Geloof me maar, hij kon hoger vliegen dan menigéén. De wereld een weergaloze muzikale erfenis nalatend!

Hoofdstuk 15 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

16 Sluimerende Vragen

1992

Met het overlijden van Freddie kwamen er vele vragen in mijn hoofd op. Vragen die ik me al veel eerder ooit gesteld had. Vragen als, ‘Hoe zit het nou eigenlijk precies, met het voortbestaan na de dood?’ en ‘Wie of wat is het dat de hele kosmos draaiende houdt?’ Op die vragen kreeg ik eindelijk steeds meer en meer, beetje bij beetje antwoorden.
Bij mijn grootouders thuis gingen ze vroeger wekelijks naar de kerk. Deze traditie zetten mijn ouders op hun beurt voort, toen ze zelf eenmaal getrouwd waren. Wij, als hun kinderen, gingen toen we oud genoeg waren ook. In het begin was me dit allemaal heel nieuw en spannend. Ik mocht net als de grote mensen mee naar de kerk.
Naarmate de tijd vorderde bleek ik me niet te kunnen vinden, in wat de pastoor elke week stond te verkondigen. Dit tot ergernis van mijn moeder. Mijn twee broers gingen gewoon, zonder morren of vragen te stellen. Tot dat ik me daar niet meer mee wenste te verenigen, ging ik ook zonder vragen te stellen, gewoon omdat het zo hoorde.
“Zeg Mam, wat bedoelt de pastoor met onbevlekte ontvangenis, waar gaat dat over?” “Luister Nelia, dat staat zo in de Bijbel,” was het antwoord van mijn moeder. Het was me duidelijk dat ze niet wist wat ze met die vraag aan moest. Wat ze zei was geen antwoord op mijn vraag. Daar had ik dus weinig aan, dat het in de Bijbel stond wist ik ook wel.
Er zat voor mij niets anders op, dan met dit vraagstuk op mijn vader af te stappen. Als mijn moeder ontwijkende antwoorden gaf, wist je dat het geen zin had verder te vragen. Om het haar niet moeilijk te maken, ging ik daarom maar weer eens naar mijn vader met mijn vragen. “Pap, luister eens, ik heb het al aan ons mam gevraagd, maar die weet er niet zo goed raad mee blijkbaar. Kun jij mij misschien vertellen wat de pastoor bedoelt met onbevlekte ontvangenis?” “Nou dat kan ik je wel vertellen ja”. Ik ging naast hem zitten en keek hem hoopvol aan, daar zouden we het dan gaan krijgen.
“In de Bijbel staat dat Maria in verwachting raakte van Jezus zonder dat ze met Jozef naar bed was geweest. Ze was nog maagd toen ze in verwachting was”. “Ja, dat zal wel, hoe hebben ze dat dan wel gedaan?” vroeg ik hem, in afwachting op specifiekere details. “Daar kan ik je helaas geen antwoord op geven Neeltje, dat weet ik ook niet”.
Behoorlijk teleurgesteld, niet in mijn vader, maar over het feit dat de Bijbel dat dus net weer niet wist te vertellen. Dat boek bleek dus in gebreke te zijn gebleven al die jaren. Daar zou ik ooit het antwoord op krijgen, al moest ik hemel en aarde ervoor op zijn kop zetten.
Het nog niet helemaal opgegeven, vraag ik verder. “Als we dood zijn gegaan, gaan we dus naar de hemel?” “Ja, dat klopt, in elk geval gaan we dus niet helemaal dood, maar blijft er iets van ons over”, zei mijn vader met een nadrukkelijke blik in zijn ogen. Hij vroeg zich blijkbaar af of ik dat kon bevatten. Nou dat kon ik wel bevatten. Wat de hemel was, kon mijn vader me niet tot in de details vertellen. Enkel en alleen dat hij bestond, volgens de Bijbel en de katholieke kerk.
“Pap, ze kunnen me nog meer vertellen. De pastoor weet dus gewoon zelf niet waar hij het over heeft? Het zegt me dus allemaal niets. Ik weet niet precies hoe het dan wel in elkaar steekt, maar wat hij verteld, gaat er bij mij niet in! Het nut van naar de kerk gaan zie ik ook niet meer op deze manier.
“Waarom ga jij eigenlijk naar de kerk pap?” vroeg ik hem, na mijn punten duidelijk te hebben gemaakt. “Ik ga uit respect voor ons mam, zij wil dit zo en ik sluit me er bij aan. Verder vind ik de kerkdienst wel een moment van rust in de week. Je krijgt er ook even de tijd om over dingen na te denken. Voor mij hoeft het niet zo persé en dat wat ze daar verkondigen de hele waarheid ook niet is, weet ik wel. Maar ik weet ook niet hoe het dan wel in elkaar steekt, dus laat ik het verder maar voor wat het is.”
Nou dat was in elk geval eerlijk en daar had ik wat aan, daar kon ik wat mee. Ons pap was het met andere woorden met me eens, dat was voor mij voor dat moment genoeg. Dat duurde echter niet lang, want ik wilde gewoon niet meer naar de kerk, wat bij mijn moeder totaal in het verkeerde keelgat schoot.
Daar kwam dus niets van in. Zolang ik in hetzelfde huis woonde als zij, had ik maar te gaan. Dit gold overigens ook voor mijn broers. Daarmee was de discussie voor mij geopend, voor mijn moeder was de discussie echter gesloten, punt uit. In deze situatie kwam een welkome verandering toen Tonnis, mijn jongste broer, zijn rijbewijs haalde. Want wat bleek? Hij had net zo weinig zin in die wekelijkse kerkdiensten als ik!
Wij gingen voortaan wel samen naar de kerk. Hier had ons mam niets op tegen. Dit met het achterliggende idee dat kinderen op een bepaald moment toch geen zin meer hadden, om dingen samen te doen met hun ouders. De lieve schat, ze had het in eerste instantie niet eens in de gaten.
Zo togen mijn broer en ik elke week braaf naar de kerk. We reden echter even zo braaf de kerk voorbij om in zijn auto rond te toeren door de omgeving. Elke week een half uurtje over de dijken langs de Maas. Zo zagen we ook nog eens iets van de omgeving waar we normaal nooit kwamen.
Tot het moment aanbrak dat ze ons ging vragen waar de preek over was gegaan. Daar stonden we dus mooi voor paal. Mijn brutaliteit overwon de schaamte. “Ja mam, ik ben tijden geleden al begonnen met te vertellen dat wat ze in de kerk vertellen mij niet kan boeien. Ik ga dan ook echt niet zitten luisteren wat hij allemaal te kwatsen heeft. Hij weet zelf niet eens waar hij het over heeft, laat staan”. Mijn broer sloot zich hierbij aan, dat was dus einde discussie. Daarna heeft ze ook niet meer gevraagd wat hij te preken had. Later heeft ze zich erbij neergelegd dat we onze eigen wil hadden. Als we dan toch niet wilden gaan, dan maar niet.
Ze vond het nou ook weer niet zo belangrijk om er ruzie over te maken. Wij wisten wat we wilden en wat juist niet, ze respecteerde dat. Daarmee werden wij aanvaard als volwassen genoeg om onze eigen weg uit te stippelen en keuzes te maken. Hiermee verdiende ze van onze kant nog meer respect als dat wat we al voor haar hadden. De kerk was ook eigenlijk maar het enige twistpunt, verder heerste er bij ons in huis altijd een zeer ontspannen en prettige sfeer. We konden ons ontwikkelen in de richting die we wilden en niets moest. Alleen wilde ze wel dat we thuis kwamen eten en slapen. Dat was dus in zijn geheel niet moeilijk, want we waren graag thuis en we komen er nog steeds graag.

Hoofdstuk 16 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

17 Boodschappen Als Antwoord

Astrologie boeide me al een tijdje. Verder dan de horoscoopvoorspellingen in de weekbladen, en hier en daar vluchtig wat lezen, was ik nog niet gekomen. Er was me al eens verteld dat mijn ascendant Maagd moest zijn, gezien het tijdstip waarop ik geboren was. Bovendien waren mijn dagelijkse bezigheden in een heel andere richting ontwikkeld, om me er intensief in te verdiepen. Mijn dochtertje bezorgde me een gelukkige dagtaak, die ik maar al te graag op me nam.
Dit jaar was ze drie geworden, ze was een genot om in je omgeving te hebben en nog. Een paar maanden na haar derde verjaardag, ging ik weer een relatie aan. Een jaar nadat ik de relatie met haar vader had verbroken. Met Thomas, kregen we er een andere kennissenkring bij. Eén van de mensen die we toen leerde kennen, Leoh een autodidacte astroloog, was de man die mij een aantal antwoorden gaf, op al lang geleden gestelde vragen.
Het begon met ‘het trekken’ van mijn persoonlijke geboorte horoscoop. Met de precieze stand van de planeten op het tijdstip van de bevalling die mij op de wereld zette. Dat dit mogelijk was, was voor mij niets nieuws meer. Dat hij aan de hand van die tekentjes, vrij nauwkeurig mijn doorlopen levenspad wist te beschrijven, verbaasde me enorm.
Na die van mij werd ook de horoscoop van mijn dochtertje ‘getrokken.’ met die gegevens erbij ging hij nog een stapje verder.
Zij was toen nog erg jong, dus over haar viel er weinig meer te vertellen dan een karakterschets. Wel schetste hij hoe de relatie tussen ons zou gaan verlopen. De verschillende fases die we samen zouden doorlopen, hoe onze relatie zich daarin zou ontwikkelen. Hij gaf om kort te zijn een overzicht van de komende dertig jaar!
Leoh was op bezoek op een avond in een weekeind dat we bij Thomas, in zijn woonplaats doorbrachten. “Het ziet er als volgt uit,” legde Leoh mij uit “tot op haar zevende levensjaar zullen jullie nog bezig blijven met elkaar aftasten. Ze zal je uitproberen en kijken waar jouw grenzen liggen. Als ze zeven is geworden zal dat langzaam overgaan in een verstandhouding die jullie samen ontwikkelen. Dan worden jullie vriendjes. Dit zal zo blijven tot ze een jaar of veertien is. Jullie zullen geen last krijgen van de zogenaamde puberruzies. Ze zal geen lastige puber worden. Dat komt doordat de verstandhouding tussen jullie dan al een heel stevige basis heeft gekregen. Na haar veertiende worden jullie vriendinnen. Zo zal ze jou ook zien, ze ziet je ook wel als haar moeder, maar boven alles zul je haar vriendin zijn. Dit zal altijd zo blijven, tot ze een jaar of éénentwintig zal zijn, dan gaat ze het huis uit. Ze zal dan minder tijd voor je hebben. Toch zullen jullie wel een deel van elkaars leven blijven, elkaar op blijven zoeken en lief en leed delen. Jij ontwikkelt je dan ook een andere richting in. Met wederzijds respect zullen jullie elkaars groei blijven volgen.”
Ik werd er helemaal stil van, en bleef met toenemende interesse geboeid luisteren. Als ik al ooit getwijfeld had aan voorbestemming, dan was dat nu voorgoed voorbij. Dat er dan ook nog mensen waren die je daar een inzicht in konden verschaffen, vervulde mij met oneindige blijdschap.
Het was acht uur geworden en tijd voor mijn kleine meid om te gaan slapen. “Leoh, ik breng haar even naar bed en lees haar een verhaaltje voor, dan ben ik er weer. Hier wil ik zo dadelijk nog wel meer over horen, oké?” “Doe maar rustig aan, ik ga nergens heen hoor.”
Zo bracht ik, nog helemaal onder de indruk, mijn kleine meid naar bed. Halverwege het verhaaltje hoorde ik ineens voetstappen op de trap. Even dacht ik dat Thomas welterusten kwam zeggen, totdat ik Leoh in de deuropening zag verschijnen.
“Wat kom jij nou doen?” vroeg ik hem enigszins verbaasd. “Tja, ik moest je de vraag stellen, of jij eigenlijk al weet hoe oud jij gaat worden.” Niet eens stilstaand bij de vage stelling die hij gaf, reageerde ik alleen maar op zijn vraag. “Ja, dat weet ik al, hoezo?” “Nou, omdat ik meteen erbij ‘doorkreeg’ hoe oud jij dus gaat worden.” “Dat wil ik dan dadelijk wel eens van jou horen. Maar eerst lees ik even dit verhaaltje af. Dan zie ik je zo beneden wel, als ik haar heb ondergestopt.”

Tijdens mijn laatste schooljaar op de HAVO, werd mij iets vreemds gevraagd. Van de ene kant zou je het als vreemd kunnen categoriseren. Let wel dat ik reageerde of het de meest normale vraag was die ze me konden stellen. Een klasgenootje van me kwam op me af, ze liep met me mee richting het lokaal waar we het volgende uur Frans zouden hebben.
“Er is me iets heel vreemds verteld. Ik ben naar een soort waarzegster geweest afgelopen weekeinde. Nou ben ik ongeveer een jaar geleden, op de kermis ook al eens geweest. Wat me toen verteld werd, werd me precies hetzelfde deze keer weer verteld. Vind je dat nou niet raar?” Mijn nieuwsgierigheid was gewekt natuurlijk en ik vroeg om details. Hier had ze blijkbaar op gewacht, peilend of ik wel interesse had in haar verhaal.
“Ze zeiden allebei dat ik eerst in mijn jonge leven een heel lange tijd met een blonde jongen een relatie zou hebben. Ik zou zelfs gaan denken dat ik met hem zou gaan trouwen. Van bijna het ene op het andere moment zou ik echter iemand anders tegenkomen. Verliefd worden, mijn vriend in de steek laten, om dan oud te worden met degene die ik tegen was gekomen. Ze beschreven hem ook nog alle twee hetzelfde ook. Een lange donkere jongen, met zwart haar.” “Ja, dat kan natuurlijk, het is vrij specifiek verteld, maar eigenlijk wel erg vaag. Dit kan natuurlijk iedereen overkomen. Bewijzen kun je dat voorlopig toch nog niet. Daar zul je de tijd de tijd voor moeten laten. Twee identieke verhalen maken het wel erg waarachtig, dat zal ik zeer zeker niet ontkennen,” was mijn sceptische maar toch geïntrigeerde blik op dit gegeven. “Dat klopt ook wel, dat vind ik ook wel, maar wat nog het meest rare was, ze zeiden allebei ook hoe oud ik zou gaan worden. En ze zeiden alle twee hetzelfde. Met nog geen jaar verschil ertussen, alle twee zeiden ze dat ik drieëntachtig zou worden.” “We hebben het hier toch wel over twee verschillende mensen hè?” vroeg ik haar. “Ja natuurlijk, ik ben niet gek zeg.” “Oké sorry, het was maar een vraag, ik twijfel echt niet aan je verstandelijke capaciteiten hoor.”
“Hé, Neeltje, heb jij eigenlijk een idee, hoe oud jij gaat worden?” Voor ik kon reageren in de zin van ‘Ik heb werkelijk geen idee,’ kreeg ik antwoord in mijn hoofd. Een zeven en een acht verschenen ineens voor mijn derde oog. Het overstemde mijn gedachten. In fracties van seconden ging dat. In plaats van te zeggen geen idee te hebben zei ik, “Ja, dat weet ik wel. Ik heb zo het idee dat ik achtenzeventig ga worden.” “Hoe kom je daar dan zo bij?” vroeg ze me toch wel verrast. “Dat weet ik niet, dat denk ik zomaar.” Vanaf dat moment bestond er voor mij geen twijfel, ik zou achtenzeventig worden. Waar ik die stellige zekerheid vandaan haalde, wist ik zelf eigenlijk ook niet.

Mijn kleine meisje sliep al bijna toen ik de slaapkamerdeur achter me dichttrok. Leoh had dus een idee hoe oud ik zou gaan worden, dat benieuwde me zeer. Zelf wist ik het al, eens kijken of hij het goed zou hebben.
Na de koffie te hebben ingeschonken, ging ik naast hem zitten. “Nou, Leoh zeg het maar eens dan, hoe oud word ik?” “Om te beginnen, ik heb het ook maar te horen gekregen maar hij zei ‘between seventy-two and eighty-four’!” “Dat klopt,” zei ik, “want ik word achtenzeventig.” Verrast keek hij me aan, of ik die stelling even wilde onderbouwen. “Geen probleem,” zei ik, “tweeënzeventig plus zes is achtenzeventig. Vierentachtig min zes is ook achtenzeventig. Zo ligt achtenzeventig precies in het midden tussen tweeënzeventig en vierentachtig.” “Tjee hé, dat is mooi zeg. Hoe kom je daar zo bij. Hoe ben je te weten gekomen hoe oud je gaat worden?” Waarop ik hem het verhaal vertelde over wat me was overkomen op de HAVO toen ik zeventien was.
“Zou jij mij dan willen vertellen, hoe jij aan die informatie komt? En waarom is dat in het Engels?” met de verwachting dat ik nu iets te horen ging krijgen, waar ik al lang op zat te wachten. Zonder een duidelijk beeld te hebben, stond er in mijn binnenste iets te popelen om antwoord.
“Ik hoop dat je zult begrijpen wat ik je nu ga vertellen. Ik ben een soort van boodschapper, die informatie krijg ik van mijn begeleider. Zoals jij te horen kreeg, hoe oud je zult worden, zo krijg ik regelmatig allerlei dingen te horen. Boodschappen voor andere mensen, die ergens mee zitten en die antwoord mogen krijgen uit de hogere sferen.” Terwijl hij me aankijkt om te kunnen peilen hoe die informatie bij mij valt. Nou die informatie viel goed. En ik ging vrolijk verder met informatie putten uit zijn onzichtbare bron.
“Die begeleider, zoals jij dat noemt, is dat wat ze in de volksmond je ‘engelbewaarder’ noemen?” eigenlijk wel wetend dat het klopte. Want ik begreep zo goed waar hij het over had, ik snapte eigenlijk niet zo goed waarom. Eigenlijk dacht ik daar zelfs niet eens over na. Het was gewoon zo, dat ik alles snapte wat hij me trachtte te vertellen.
“Ja, zo zit dat ongeveer wel ja. Diegene die de boodschappen verteld hoeft niet je beschermengel te zijn. Hij kan ook alleen maar in je omgeving zijn om belangrijke boodschappen over te brengen. Meestal is het wel je begeleider die dit doet. Die staat het dichtst bij jou.” De wirwar in mijn hoofd en de vragen die daarmee gepaard waren gegaan werd langzamerhand, gedurende dit gesprek, steeds meer ontward.
“Je hebt het over hogere sferen. Als er hogere sferen zijn, dan zijn er ook lagere, hè?” “Dat zie je heel erg goed. De hogere sferen worden ‘bevolkt’ door de ingewijden, van de verschillende graden. Hoe hoger je inwijding, hoe hoger de sfeer ligt waar je weer naar reist als je dood bent gegaan.”
Dat klonk me meer dan logisch in mijn aardse oren. Wel wilde ik weten, hoe dat dan precies in elkaar stak met die inwijdingen. “Wie was er dan van welke graad en vooral, waarom!?”
“Dat zal ik je proberen uit te leggen. Daar heb ik dan wel pen en papier bij nodig, dat legt iets gemakkelijker uit. Het is een heel complex gegeven, het is alleen niet zo moeilijk als je nu denkt.” Ik dacht helemaal niet dat het moeilijk te begrijpen zou zijn. Wel wilde ik weten waar we het precies over hadden. Uit Thomas zijn bureau toverde ik pen en papier. Klaar om kennis over de sferen in me op te gaan nemen, ging ik weer naast hem zitten.
Hij tekende veertien kolommen, horizontaal onder elkaar. In het midden trok hij een iets dikkere streep. Dit om een splitsing te maken van de veertien in twee groepen van zeven kolommen. De bovenste zeven stonden voor de hogere sferen. De mentale sferen. De onderste voor de lagere, astrale sferen.
“Zoals je weet hebben alle mensen een ziel. Als je het over zielen hebt, heb je het over de zielen van mensen in leven zijnde op de aarde. En over zielen van mensen die dood zijn gegaan, over zijn gegaan naar Gene Zijde, of zoals ze in de volksmond zeggen, de Hemel. Kan je dat in zoverre volgen?” Dat kon ik, ik vroeg hem dus verder te gaan.
“Je kunt er simpelweg vanuit gaan dat hoe ouder je ziel al is, hoe hoger de sfeer ligt waar je in thuis hoort. Dat klopt niet altijd want ook hierin zijn er uitzonderingen op de regel. Hoe meer levens je al doorlopen hebt, des te meer kennis je hebt opgedaan. Al die kennis, van al die levens draag je met je mee, die ligt opgeslagen in je ziel. Die inwijdingen staan voor stappen vooruit in je bewustzijn. Je hebt kleinere en grote inwijdingen. Tot op heden zijn de hogere ingewijde zielen in de minderheid, dat zul je wel logisch vinden. Toch is elke ziel op weg om zich steeds bewuster te worden. Bewuster van het leven, van de aarde, met nog enkele grote stappen ertussen komt iedereen uiteindelijk uit op het hebben van een Kosmisch bewustzijn.
Als je kijkt naar die onderste zeven kolommen,” wijzend op het papier “die staan voor de lagere sferen. De twee onderste lagen zijn al leeg. Er zijn al geen zielen meer met zo een laag bewustzijn. De vijfde laag is nog wel ‘bevolkt’, het zij wel dun ‘bevolkt.’ In de vierde laag zit het grootste gedeelte van de zielen nog. Die zielen zijn nog niet ingewijd. Dit gebied draagt de naam ‘Winterland.’ Daarboven in de derde laag zitten ook nog veel zielen, maar wel beduidend minder als in de vierde laag. Die derde laag noemen ze ‘Morgenland.’ De tweede laag is de op één na dunst ‘bevolkte’ laag genaamd het Zomerland.’ Op de overgang van ‘Morgenland’ naar ‘Zomerland’ onderga je je eerste inwijding. Die inwijdingen hebben, zoals ik al zei, alles te maken met bewustzijnsverruimingen.
Maar ook met beheersing. Je moet je de beheersing over al je innerlijke en uiterlijke hoedanigheden eigen leren maken. Dit doe je enkel en alleen voor je zelf. Al doende leert men, als je leert wordt je je bewust van wat je leert.
Op de overgang van ‘Zomerland’ naar de hoogste astrale sfeer, onderga je de tweede inwijding. Alle andere inwijdingen onderga je pas, als je de stap hebt kunnen maken van de astrale sferen naar de mentale sferen. De meeste zielen blijven heel lang tussen de tweede en derde inwijding zitten. Dat heel lang houdt een lange rij levens in. In de astrale sferen heeft alles nog een vorm, in de mentale sferen wordt alles steeds vormlozer. Hoe hoger de sfeer, hoe vormlozer alles is. Alles is daar energie.”
Eindelijk waren me de eerste antwoorden aangereikt, op al lang geleden ontstane vragen. Er werd me een blik in de Hemel gegeven. Zelf had ik het nog niet in woorden kunnen omvatten. Alleen maar gevoelt dat het zo in elkaar stak.
Ik stuurde vanuit de woonplaats van Thomas, een kaart naar ons thuis huis met de afbeelding van Jezus erop. In plaats van de groeten schreef ik, “Altijd heb ik geweten dat de hemel niet zo in elkaar stak als ze in de kerk pretenderen. Nu heb ik de woorden aangereikt gekregen om uit te leggen hoe het dan wel is. Als ik naar huis kom, zal ik het jullie graag uitleggen.”
Jezus blijkt gewoon een ingewijde van een hoge graad. Zo hoog zelfs dat hij zichzelf Meester mag noemen. Een vijfde graad ingewijde: De Meester Jezus….

Hoofdstuk 17 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

18 Helder Gehoorde Inzichten

1993

De relatie met Thomas bleek geen lang leven beschoren. Na een jaar en drie maanden verbrak ik de relatie, in de zomer van 1993.
Op het jaarlijkse popfestival leerde ik een even mooie als merkwaardige vrouw kennen. Leren kennen is iets te sterk uitgedrukt, ik zag haar daar voor het eerst. Ze was samen met een oude bekende van mij, Jos. We werden aan elkaar voor gesteld. Lily was sinds enige tijd zijn vaste vriendin.
Gewoon iemand tegenkomen voor het eerst is tot daar aan toe. Vrij ongewoon was het dat ze aanvoelde, als iemand waar ik een bepaald soort verwantschap mee had. Zo zag ik dat en dat zag ik goed bleek later.
De stamkroeg van Fem, een vriendin van mij, lag in de binnenstad tegenover de Grote Kerk. Na het popfestival belandden we daar, met een opkomende hoofdpijn van de slechte wijn die we eerder die dag al hadden genuttigd.
Mijn plannen voor de zomervakantie werden een lichtelijk in de war gestuurd door het verbreken van de relatie met Thomas.
Eigenlijk zouden we de ene week bij hem logeren en hij de week daarna bij ons. Om zo de zes vakantieweken op en neer te pendelen tussen zijn woonplaats en de onze. De eerste week van de vakantie zouden we naar hem gaan.
Er waren eerder al wat strubbelingen ontstaan tussen ons. Op het moment van arriveren flikte hij me een stunt, die mij de zin tot vakantievieren bijna ontnam. Hij was er echter niet op voorbereid dat we net zo gemakkelijk, even snel als we aangekomen waren, ook weer zouden vertrekken. Met het vertrek nam ik me voor, dat dit de laatste keer was geweest dat wij in zijn huis vertoefd hadden.
De ochtend na ons vertrek ging de telefoon. Of ik alsjeblieft terug wilde komen! Dat had hij dus verkeerd gedacht. Of hij dan naar mij mocht komen. “Je doet je best maar! Zoals ik voor de vakantie begon al zei, ik wil graag naar het festival. Van jou moesten we zo nodig de eerste week van de vakantie bij jou doorbrengen. Eerst ga je ruzie lopen maken, dan kom ik je tegemoet, door de eerste week bij jou te zijn. Het eerste wat je dan doet is ruzie maken als we aankomen. Dat was dus het laatste hè, dat snap je natuurlijk wel!? Trouwens op het moment dat ik thuis kwam gisteren, heb ik festivalkaartjes geregeld. Dus erg gezellig zal het niet worden, want ik ben pas laat thuis.”
“Ja, maar ik wil ook wel mee,” was het enige dat hij uit wist te brengen. “Als jij mee wilt zorg je zelf maar voor een kaartje en zorg je ook maar dat je er in je eentje komt.”
“Dan maar niet. Vind je het dan goed dat ik in jouw huis zit als je thuis komt?” “Zoals ik al zei, je ziet maar. Als ik eerlijk ben, voor mij hoeft het niet!”
Zodoende kwam ik de bewuste festival zondag Lily tegen. Dat is dus geen toeval geweest. Waren we bij Thomas gebleven, was ik haar niet tegen gekomen. Ook dit moest zo zijn.
Nu, ik was weer ‘vrijgezel’. Met Fem bezocht ik, in het weekend, regelmatig haar stamkroeg. Via haar kreeg ik er heel wat kennissen bij. Andere omgeving, andere mensen.
Jos behoorde ook tot de club van stamgasten. We kenden elkaar al een jaar of elf. We hadden elkaar een hele poos eigenlijk niet meer gezien. Met uitzondering van de keer dat ik hem had bezocht, om een tattoo op mijn linker bovenarm te laten zetten. We hielden het hernieuwde contact verder gaande via de kroeg.
Zo kwam ik meer te weten over Lily. Ze bleek een chakratherapeute te zijn. Met tevens een graad in psychologie. Jos vertelde me ook, dat hij de gave tot magnetiseren rijk was. Elf jaar eerder was hem dat nog niet duidelijk geweest. Maar voor alles is de tijd uiteindelijk een keer rijp.
Als je ergens stamgast bent, ben je meestal snel op de hoogte van de intermenselijke acties die er plaats vinden.
De baas, Jan, en de bazin, Mona, hadden er dan ook geen privé leven leek het wel. Niet dat ze er veel moeite voor deden overigens. Ze hadden samen een relatie gehad, waar een dochter uit was geboren. Nadat ze uit elkaar gingen, was Mona een nieuwe verbintenis aangegaan. Toch bleek uit van alles en nog wat, dat ze Jan niet helemaal los kon laten. Wat hem de hoop gaf op een nieuw leven in blazen van wat ze eerst samen hadden. Hoe naïef kan iemand wezen! Al met al, ik had ontzettend met hem te doen.
Fem wist, omdat ze daar werkte natuurlijk altijd tot in de puntjes te vertellen, wat er allemaal gaande was. Je kon er zo een soap over schrijven. Fems vriendin, Niekske, was ook altijd een favoriet onderwerp van gesprek. Dat krijg je als je boven alles een overduidelijk individu bent.
Niekske en ik konden het, eigenlijk zo’n beetje van het begin af aan, goed met elkaar vinden. We hadden een gemeenschappelijke kennis in de persoon van Jos. Hij had haar knie regelmatig gemagnetiseerd, wat haar hielp om weer een tijd pijnloos door het leven te kunnen lopen. Zo kwam het dat spiritualiteit, en alles wat er maar mee samen kan hangen, onderwerp van onze gesprekken werd.
Op een dag ergens midden in een week overkwam me iets heel merkwaardigs. Nadat ik bezig was geweest met gewone huishoudelijkheden, ging ik even zitten. Bakje koffie drinken en een sigaretje roken. Op het moment dat ik zo een beetje net rustig zat, hoorde ik een vrouwenstem.
Met het horen van haar stem werd ik me een waas gewaar. Net of het iets nevelig werd om me heen. Of mijn gehoor zich scherp stelde en dat het daarbij nodig was dat mijn zicht iets belemmerd werd.
Het was alsof er een straal, vanaf rechtsboven me, mijn hoofd in werd gezonden. Met die straal kwam direct die vrouwenstem. “Je moet naar Mona gaan en vragen of ze wel weet waar ze mee bezig is.”
‘Krijg nou wat’ dacht ik bij mezelf. Ergens trof het me enorm, maar ergens ook weer niet.
Leoh had me verteld over boodschappen, gekregen van zijn onzichtbare gids. Dit, wist ik per direct, was ook zo iets. Het was me meer dan duidelijk, dat dit me niet voor niets verteld werd. Tevens wist ik eigenlijk niet zo goed wat ik er mee aan moest. Daar liep ik de week die volgde, dan ook volop over na te denken.
Het leek me het beste om er met iemand over te gaan praten. Omdat ik dit zelf uit wilde zoeken, eventueel met iemand die niets wist over helderhorendheid en zo, wilde ik Leoh niet bellen voor advies.
Niekske leek me de aangewezen persoon, zij wist om wie het in deze ging, en we hadden al andere spirituele onderwerpen besproken. Het zou haar niet rauw op haar dak vallen dus en ze kon me adviseren betreffende de eventuele reactie van Mona. Zo gedacht zo gedaan.
Op een middag, ongeveer een week na de gehoorde boodschap, zaten we bij haar thuis koffie te drinken. “Niekske moet je horen, ik heb je advies nodig,” stak ik van wal. “Ja, zoiets dacht ik al eerlijk gezegd. Je bent niet helemaal net als anders. Vertel, wat is het dat je me wilt vragen.”
“Nou, vorige week heb ik iets te horen gekregen. Het was een boodschap van ik weet niet precies wie. Ik kon haar niet zien en alles om me heen werd nevelig op dat moment.”
“Jee zeg, en wat zei ze dan?” Ze reageerde erop als was het de meest normale zaak van de wereld. “Ze zei me eigenlijk iets te doen en ik weet er niet zo goed raad mee. Het gaat namelijk om Mona.”
“Om Mona? Wat moet je doen dan?” A had ik gezegd dus B werd van me verwacht. Ik zuchtte een keer diep, “Ik moet naar Mona gaan en haar vragen of ze wel weet waar ze mee bezig is.”
“Dat zou ik dan maar doen als ik jou was. Dit is je niet voor niets aangegeven lijkt mij. Bovendien, wie het ook is geweest, ze weet blijkbaar wel waar ze het over heeft. Je weet net zo goed als ik, dat wat ze aan het doen is met Jan nergens op slaat.”
Nou dat was duidelijke taal. Ik wilde Mona niet voor haar hoofd stoten. Me niet bemoeien met haar gevoelsleven. Dit probeerde ik Niekske duidelijk te maken.
“Ja, dat het me niet voor niets is verteld zie ik wel in. Het punt is, hoe gaat zij hierop reageren. We zijn geen vriendinnen, niet eens bevriende kennissen. Ik ga me op deze manier wel bemoeien met haar leven. Ik weet niet of ze er wel van gediend zal zijn.”
“Dat is niet aan jou om je daar zorgen over te maken. Jij moet dit gewoon doen Neel. Wat zij ervan vindt is niet belangrijk. Wat het uiteindelijk teweegbrengt, daar gaat het toch om?”
Daar had ze gelijk in, hier was ik zelf ook al achter. Niekske wist ook niet hoe Mona zou reageren, zo een dikke vriendinnen waren zij ook niet tenslotte. Maar ik ging ervan uit dat omdat ze haar al langer meemaakte, ze hier een betere kijk op zou hebben. Dat buiten beschouwing gelaten, gaf ze me wel een prima back-up.
Na het middagje koffie drinken ging ik naar huis met de belofte dat ik het gewoon zou gaan doen. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk. De dag erna belde ik Mona op. Ze was er niet, zodat ik haar antwoordapparaat in moest spreken, daar had ik weinig trek in maar deed het toch. “Hoi Mona. Neeltje hier. Je vindt het misschien raar mij te horen op je bandje. Ik wil je iets vragen. Kun je mij terug bellen als je thuis komt? Houdoe”
In de dagen die volgden hoorde ik niets van haar. Na een middagje met mijn kleintje bij Meg te zijn geweest, kwam ik thuis en zag het lampje knipperen op mijn telefoonbeantwoorder. Onze jassen op de kapstok gehangen, liep ik terug de huiskamer in om het bandje te luisteren. “Hoi Neeltje. Hier met Mona, sorry dat ik je niet eerder belde. Maar je bent er nu zelf blijkbaar ook niet. Vanavond ben ik thuis, bel je me dan even terug?”
Goh, dat was me ook wat. Ze belde me en kreeg mijn apparaat aan de lijn, hetzelfde als wat mij overkwam. Nou vanavond was ze thuis, dus ik zou haar bellen, dat stond vast.
Die keer dat ik haar belde, een paar dagen eerder, was ik behoorlijk zenuwachtig. Hoe zou ik dat nu aanpakken, hoe zou het verlopen. Doordat ik haar toen niet direct te spreken kreeg, werd me de tijd gegeven er over na te denken.
Mijn voornemen was om te doen alsof me zoiets elke dag overkwam. Zonder nadere uitleg zou ik haar gewoon vragen wat ik vragen moest. ‘s Avonds belde ik haar op.
“Met Neeltje, ik bel je nooit dus je zult je wel afvragen wat ik je vragen wil.” “Ja, dat klopt ik vind het wel raar ja. Wat wil je vragen eigenlijk?” “Het punt is het volgende, ik vroeg me af of je binnenkort een keer een avond thuis bent, zodat ik bij je langs kan komen.” “Ja dat kan wel maar, waarom eigenlijk?” “Ik zou graag eens met je praten.” “Gaat het over Jan?” “Indirect wel ja.” “Je komt maar, ik weet alleen niet of ik kan helpen. Morgenavond heb ik niets. Kun jij dan?”
“Ja, dat is prima, hoe laat schikt het?” “Een uur of zeven?” “Prima, dan kom ik morgenavond om zeven uur, tot dan. Houdoe.” “Ja houdoe.”
Ze wachtte even met het opleggen van de hoorn. Ze vroeg zich waarschijnlijk van alles af. Nou haar vragen zouden beantwoord gaan worden en wel de avond erna. Het zou alleen heel wat anders worden als wat ze verwachtte. Ze dacht dat ik haar hulp nodig had inzake Jan. Dat zag ze dan verkeerd.
Nog behoorlijk zenuwachtig stond ik die avond bij haar aan de deur. Ze begroette me hartelijk bij het binnenkomen. Haar dochtertje liep nog rond te spelen. Na het koken van water voor de thee die we zouden drinken, bracht ze eerst de kleine naar bed. We gingen tegenover elkaar zitten met ieder een kop thee in de handen.
“Nou, dan vertel het maar eens, waar kan ik je mee helpen?”
“Het is niet om je te beledigen of zo Mona, maar weet jij wel waar je mee bezig bent?” Duidelijker dan zo, kon ik niet met de deur in huis vallen. Ik zag allerlei emoties over haar gezicht gaan. Van opperste verbazing tot ergernis. Van ontzetting tot volkomen verbluft.
“Wat is dat nou voor vraag. Ben je door Jan gestuurd of zo?” “In het geheel niet. Jan heeft hier niets mee van doen. Bovendien ken je hem wel beter toch? Hij zou zoiets nooit van iemand vragen. Daar is hij de mens niet naar.”
“Eigenlijk niet nee. Maar waarom vraag je het me dan?” “Omdat ik wel zie dat hij helemaal niet goed wordt van jouw aantrekken en afstoten. En ik vind dat niet eerlijk. Begrijp me niet verkeerd hoor, want ik snap je wel. Het is moeilijk om iemand los te laten. Maar wat wil je met hem Mona. Wil je hem terug, wil je hem niet terug? Hij heeft er toch recht op te weten waar hij aan toe is. Zijn leven moet toch ook een keer weer op poten komen. Deze situatie helpt er niet echt bij.”
De twijfel sloeg toe, haar gezicht verried haar. Ze liet zich er niet door leiden echter. Geïrriteerd reageerde ze, wat ik prima begreep. Ze zouden je er maar mee confronteren ook. Een nagenoeg vreemde nota bene ook nog!
Na een tijdje draaide ze bij en gaf ze toe dat het moeilijk was en eigenlijk nog niet wist wat ze wilde. Wanneer dan wel wist ze zelf niet. Mijn advies was om de dingen en de mensen eens op een rijtje te zetten. Dat een uiteindelijk besluit haar alleen maar gelukkiger zou maken op den duur. Al met al liep ik drie uur later bij haar het huis weer uit.
Dit gesprek resulteerde in een hoop geroddel, door Mona in werking gezet. Ongeveer tien verschillende verhalen hielp ze de wereld in over het verloop van die avond. En ik, ik zat er in het geheel niet mee. Ik had gedaan wat er van me gevraagd was en ik was er gelukkig mee. Niemand keek mij erop aan, alsof dat ook zo hoorde. Nou was dat niet zo normaal, gezien de normale gang van zaken in onze gemeenschap. Kortzichtige mensen te over! Het ging mij om het uiteindelijke resultaat, waar ik niet direct kijk op had natuurlijk.
Wat ze dan ook vertelde allemaal, het werkte uit zoals aan Gene Zijde verwacht werd. Binnen een jaar had ze de zaken op een rijtje. Ze stapte definitief uit de zaak, die ze samen met Jan runde, ons stamcafé. Raakte zwanger van haar vriend. Tot op heden zijn ze nog steeds samen. So far, so good.

Hoofdstuk 18 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

19 Een Vroegtijdige Overgang

Dat je ook dingen te horen krijgt, die nog merkwaardiger zijn en geen goed einde inhouden, maakt het brengen van boodschappen onheilspellend. Je mag altijd zelf bepalen wat je met de gekregen informatie doet.
We zijn weer op de wereld gekomen met een eigen wil. Die wil bepaalt je eigen doen en laten. Het wilaspect van de mens noemen ze dat. Het wilaspect kan echter geen verandering brengen in voorbestemde zaken. Wel het tijdstip waarop bepaalde dingen gaan gebeuren.
Ook daar zit natuurlijk een maar aan. Sommige dingen gebeuren op de tijd waarop het gebeuren moet. Dood ga je op het tijdstip dat je gepland hebt. Hoe jong of oud je ook bent. Hoe gezond of hoe ziek je ook bent. Als het je tijd is, ga je.
Dat je bij leven niet meer weet wat je aan Gene Zijde, voor je geboren werd, gepland hebt is maar goed ook want met de wetenschap hoe oud je wordt, daar valt voor sommige mensen niet mee om te gaan. Stel dat je zou weten dat je jong komt te overlijden, dat zou je de zin tot leven kunnen ontnemen. En daar incarneer je niet voor.
Toch weten sommige mensen het wel. Hoe vreemd het ook mag klinken, het zijn wel steeds mensen die er mee om kunnen gaan. Ze leven gewoon tot op de laatste seconde hun leven uit. Wetende dat het erop zit en ze zonder lichaam verder gaan. Net zo natuurlijk, net zo gewoon.
Soms is het moeilijk te verkroppen, wanneer er kinderen dood gaan die nog een heel leven voor zich hadden. Je kunt dan niet aankomen met het feit dat het zieltje daar zelf voor gekozen heeft. Dat het gewoon zo moest zijn. Dat het karmisch was vastgelegd. Ook al is het nog zo waar, de nabestaanden hebben niets aan zulke uitspraken. En menselijkerwijs gezien, terecht!
Niemand kan het maken om op die manier te redeneren over de dood van een kind. Dat is niet menselijk meer. Je kunt alleen maar meeleven bij zoiets, zonder medelijden te hebben. Niemand wil zielig gevonden worden. Ook niet met zoiets. Toch was de oorzaak wel zielig. Zo een klein mensje ineens zielloos. De dood van een kind, een kwestie van de ziel.

We woonden bij elkaar in de straat. Een gezellige straat, waar je de mensen die je tegenkwam begroette. Als je de tijd had kletste je wat. Van allerlei soorten mensen trof je er, maar iedereen was er even sociaal. In andere delen van de stad noemden ze dat asociaal. Dat was hun probleem vonden we. Bij ons wat het gezellig en alles kon. Iedereen was er wie hij was en dat was goed zo.
Met het uitlaten van de hond, op het grasveld voor ons huis, zag ik haar wel eens lopen. We maakten in de wandelgangen dan een praatje. Langzaamaan had ik Yve dikker zien worden. Yve was zwanger van een tweeling. De hele straat leefde met haar en Rob, haar vriend, mee. Telkens als ze weer in het ziekenhuis op controle was geweest, werd haar door iedereen gevraagd hoe de vorderingen waren. Alles verliep naar wens en die kleine mensjes in haar buik groeiden gestaag.
Met een maand of zeven acht werd het bewegen haar erg zwaar en kwam ze minder buiten. Via Rob werden we op de hoogte gehouden.
Toen brak de dag aan dat hij vertelde vader te zijn geworden van twee wolken van dochters. Ze waren wel wat aan de lichte kant, maar kerngezond. Heel wat straatgenoten zochten hen op in het ziekenhuis. Ik wilde wachten tot ze thuis zouden komen. Ze hadden het in het ziekenhuis druk genoeg met al dat bezoek, vond ik. Na een paar weken kwamen ze naar huis.
Yve was al eerder ontslagen, de kleintjes moesten echter eerst op gewicht komen. Twee en een halve kilo was het gewicht dat ze moesten hebben om naar huis te mogen. De eerste tijd was het ook bij Yve en Rob thuis een drukte van belang. Dat liet ik graag voor wat het was. Als de drukte wat geluwd was zou ik wel een keer op bezoek gaan.
In de supermarkt kwam ik Yve op een dag tegen, die me vroeg langs te komen. ‘Iedereen’ was al geweest, wanneer ik zou komen? We spraken af voor de volgende dag ‘s middags. Intussen was ik wel benieuwd geworden naar die twee kleintjes.
Ze lagen net in bed toen ik op bezoek kwam. Lekker gevoed en een schone luier aan, klaar voor hun middag slaapje maar wel nog wakker. Voor we koffie gingen drinken, gingen we eerst haar twee schatten bewonderen. Twee bedjes in een lieflijk mintgroen getint kamertje. Ze lagen wel nog met zijn tweeën in één bedje.
Daar lagen ze, twee kleine poppetjes, knus tegen elkaar aan. Een lief hoopje mens. De ene iets groter dan de andere. De grootste was als eerste geboren. De kleinste keek alleen wel helderder uit haar oogjes.
Op het moment dat ik naar haar keek en dit constateerde werd het neveliger in mijn gezichtsveld. “Die overleeft het niet,” hoorde ik de vrouwenstem zeggen. Daar schrok ik enorm van. ‘Tjee, wat moet ik daar nou mee? Dat zal ik nooit vertellen!
En al zou ik het vertellen? Wat hadden ze daar nou aan? En stel dat ik het zou vertellen en het zou niet kloppen? Ze waren alle twee kerngezond!’
De twijfel in mij sloeg hard toe en ik wist niet hoe ik het er mee had. Yve vroeg me intussen wat ik van haar wolkjes vond. Echt enthousiast kon ik al niet meer reageren. Ik zette de mededeling zo snel mogelijk van me af en ging verder met aardse zaken.
“Knappe kindjes heb je gekregen. Hoeveel voedingen hebben ze nog nodig?” En nog meer van dat soort uitspraken deed ik rap achter elkaar. Om zo de gekregen informatie te overstemmen. Yve vertelde van alles en nog wat over haar kleintjes. Gretig luisterde ik naar alles wat ze maar kwijt wilde.
In de eerste instantie kon ik het niet van me af zetten. Toch lukte me het wel, na een paar dagen. Wonder boven wonder vergat ik het hele voorval, alsof er niets had plaats gevonden.
Maar er had wel degelijk iets plaats gevonden. Ik hoefde er alleen niets mee, als ik niet wilde. Wat overduidelijk was! Ik wilde er niets mee! Deed er niets mee!
Achteraf heb ik me wel eens afgevraagd of ik het niet beter wel had kunnen vertellen. Was hun verdriet er dan minder om geweest?
Twee weken na mijn bezoek bij Yve belde een buurvrouw bij me aan. “Weet jij wat er met Yve aan de hand is?” Ik wist van niets en ik vroeg haar “Waarom?” “Er staat een ambulance bij hen voor de deur!” Mijn reactie was “Er wonen in dat portiek nog meer mensen. Het hoeft toch niet bij Yve te zijn?”
Op één of andere vreemde manier kwam mij die dag niet ter oren wat er nou te doen was geweest. Toch wel ongerust belde ik haar, tegen de avond, op om te vragen of bij hen alles goed was.
Haar moeder beantwoorde de telefoon. “Is Yve thuis?” “Mag ik vragen wie jij bent en waarom je belt?” “Ik heb de ambulance voor de portiek zien staan en vraag me af of alles goed is?” “Eigenlijk wel en eigenlijk niet,” werd me verteld. “Lichamelijk is er niets mis met Yve, de ambulance is niet voor haar gekomen, maar voor de kleinste van de tweeling.” “Wat is er aan de hand dan?” vroeg ik haar. Helemaal verontrust omdat het gesprek zo moeilijk verliep.
“Onze kleinste is vanmiddag gestorven!” Ik schrok me te pletter en wist even geen stom woord meer uit te brengen. Na een stilte condoleerde ik haar, “Hier zijn geen woorden voor, wat erg. Ik wens jullie heel veel sterkte met het verwerken van dit grote verlies.”
Dit was mij verteld door mijn mysterieuze vrouwelijke boodschapper. Daar was ik toch wel meer dan zwaar van onder de indruk. ‘Maar hoe kan dat nou? Ze was gewoon gezond!
Yve kwam het me vertellen, een paar dagen later. “Ik had ze gevoed en verschoond, niets aan de hand verder en heb ze in hun bedje gelegd. Toen ik een tijdje later ging kijken of ze al sliepen, zag ik dat er een drama had plaats gevonden.
De kleinste zag blauw. De paniek sloeg toe en heb direct de ambulance gebeld, maar het was al te laat. Ze hebben haar mee genomen en gevraagd of ze autopsie mochten plegen. Na het onderzoek kwam de mededeling dat ze melk hadden gevonden in haar longetjes. Ze bleek te hebben moeten spugen en terwijl ze spuugde heeft ze het ingeademd.” Ze was ongelukkigerwijs gestikt dat lieve kleintje.

Hoofdstuk 19 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998

20 Afgesproken Samenkomst

Maart 1994

Een bekende Nederlandse band zou het podium komen bevolken in ons stamcafé. De 26ste maart zou de dag zijn. Kennissen van mij wilden de man in kwestie erg graag zien. Ik zou mijn best doen, zo snel als de voorverkoop begon, aan de eerste kaartjes te komen voor hen. Met een kleine moeite lukte me dat ook.
Aangezien ik de desbetreffende zanger-toetsenist en zijn band ook nog nooit gezien had, leek het me wel wat om dan ook maar aanwezig te zijn. In nagenoeg geen tijd was het concert tijdens de voorverkoop al uitverkocht. Vreemd genoeg eigenlijk want de man en zijn bevriende muzikanten deden bijna elk jaar ons stamcafé, aan.
Met een kleine moeite had ik hen dus al veel eerder ooit kunnen zien. Dat had zo blijkbaar niet moeten zijn. Dit was de juiste tijd en de juiste plaats om ze tegen te komen, bleek later.

Om zoveel mogelijk mensen binnen te krijgen tijdens een concert, werden er in de stad overal aankondigingsposters opgehangen. In het concertgedeelte van het café werd er ook één opgehangen aan het prikbord.
Ineens werd ik getroffen en de tijd stond even stil. ‘Wie is die vent?’ Als aan de grond genageld stond ik naar de poster te staren. ‘Die man rechts boven in de hoek op die foto, wie is dat?’
Eén van de bandleden, dat stond voor mij vast. ‘Had ik die man ooit eerder op een foto gezien dan? Nee,’ daar was ik zeker van, dat was niet het geval. Tjee, maar hij kwam me zo bekend voor. Het was als werd ik in die poster gezogen. Het moest me zoveel zeggen, maar ik kon niet bij de informatie. ‘Die man, die man, wie was dan toch die man?’

Met mijn hoofd stond ik boven de stomende pannen op het gasfornuis. Hoorde ik de telefoon gaan? “Mama, mama er is een mevrouw aan de telefoon, die moet jou hebben,” kwam mijn dochtertje me in de keuken vertellen. Dat had ik dus goed gehoord.
“Hallo, met Neeltje.” “Hoi, met Mona komt het uit dat ik je even iets vraag?” Waarom belde ze mij nou op, na al die verhalen die ze over mij de wereld in had geholpen? Dat was ik nog niet vergeten. Maar het was haar al lang vergeven, eigenlijk al voor dat ze van alles over me rond ging vertellen. Het zou me benieuwen.
“Dat komt wel uit, ik sta alleen maar te koken maar dat kan nog wel even. Wat is er?” “Zou jij tijdens het concert aanstaande zaterdag willen werken bij ons?”
“Willen werken? Wat verwacht je dan van me?” “Je hebt toch al wel eens samen met Niekske in de garderobe gestaan. Daarom zou ik je willen vragen of je dat samen met haar zou kunnen doen?” Nou dat was nogal wat. Dat wilde ik wel doen.
Eigenlijk vond ik het wel een eer. Er waren zovele anderen die dat ook wel wilden doen. Maar ze vroeg mij! “Ja, dat is best, dat wil ik wel doen. Weet Niekske hier al van?” “Die is het eerst gevraagd. Ze vindt het wel leuk geloof ik. We zijn bang dat we de jassen niet snel genoeg op hun plaatsen krijgen. En dan met sluitingstijd wil de grootste hoop mensen, toch weer zo snel mogelijk naar huis. Dan krijg je een stormloop op de garderobe vandaar.”
“Nee, dat is prima. Zeg maar hoe laat ik er moet zijn. Maar ik heb wel al een kaartje, hoe moet dat dan?” “Dat kaartje ben je zo kwijt, er komen nog steeds mensen om kaartjes. Maar wat denk je van een uur of zeven?” “Prima, om zeven uur ben ik er. Tot dan.” “Oké, en hé, bedankt hè.” “Het is al goed, ik doe het graag. Houdoe.” “Houdoe.”

Om zeven uur werd de deur voor me geopend. Weer werd ik me bewust van de man op de poster. Ik zag hem alleen nog nergens. Er liepen wel andere, voor mij onbekende, mensen door het café.
We zetten met zijn allen alles klaar. De garderobe werd voorzien van een massa extra hangers. De glazen werden op de bar gezet. De krukken op de vloer. De geluidsinstallatie werd getuned. Na deze gedane arbeid gingen we aan de bar zitten, ieder met zijn eigen drankje voor zich.
Na een tijdje kwam er een vrouw naast me zitten. Ze droeg een crew-jas, waar ik uit opmaakte dat zij één van de mensen was, die er voor zorgden dat de zaken draaiende werden gehouden binnen de band. Wat ze precies deed wist ik op dat moment nog niet.
Maar we raakten al snel aan de praat en ze vertelde me wat zij zoal deed. Zij was de merchandising-lady. Ze verkocht de cd’s, T-shirts, boeken en andere aanverwante zaken. Al negen jaar ging ze met de band op tour door Nederland en aan het einde van elk jaar naar Duitsland.
Het liep tegen achten, toen we onze plaatsen op gingen zoeken op de verschillende plekken in het café. Samen met mijn gesprekspartner liep ik naar de voordeur. Zij had daar haar koopwaar al uitgestald naast de garderobe. Om acht uur zou de deur opengaan voor het publiek.
Weer zag ik de man op de poster. Zij was natuurlijk de aangewezen persoon om informatie aan te vragen. Alsof zij in staat zou zijn, om mijn innerlijke vragen even snel te beantwoorden! Ik wees naar de man met het zwarte haar rechts bovenaan op de poster.
“Wie is die vent?” vroeg ik haar. “Wie, hij? Dat is de gitarist van de band,” zei ze me een lichtelijk verbaasd aankijkend. Dat ik niet wist wie hij was zeg! “Dat hij de gitarist van de band is, dat zal wel. Maar hoe heet hij?” Waarop ze me zijn voornaam en achternaam noemde. Zijn voornaam bleek Daaf te zijn. Bij het horen van zijn achternaam echter leek het net alsof ik terug in de tijd werd gezogen voor een paar seconden. Het leek net een echo.

‘Zie je nu daar is die naam WEER! Dat is nu de derde keer!’ Sjack, de vader van mijn dochter had een LP, achter op die LP stond die naam vermeld, twee broers met dezelfde achternaam. ‘Zou dit dan een derde broer zijn,’ vroeg ik me af. ‘En ik heb de naam ergens gelezen, maar dan in de oudere, senior vorm. Terwijl deze man junior als toevoegsel op zijn achternaam had. Hoe lang is dat precies geleden?’ Ik had geen idee meer. Wat ik nog wel wist was, dat er bij het lezen van die naam, zowel op de LP als later het net was of hij een stukje uit het artikel werd gelicht. Het moest me blijkbaar iets zeggen, er ging een lampje branden in mijn binnenste maar ik wist niet waar het op schijnen moest.
‘Nu hoor ik die naam voor de derde keer dus, het lijkt net een echo uit het verleden. Afijn, ik zal wel zien.’
De deuren gingen open en de mensenstroom kwam op gang. Het liep even storm, maar na een half uurtje kregen we het minder druk. We stonden wat te kletsen terwijl ik een man met een rood fluwelen jasje binnen zie komen. “Dat is een mooi jasje zeg,” zei ik tegen mijn gesprekspartner van even eerder. “Dat staat mij vast ook erg goed.” Waarop ze begon te lachen en zei, “Dat zal wel niet lukken denk ik, want dat is onze bassist, Fox, en dat ding draagt hij vaak op het podium.” Wist ik veel, klein foutje dus.
Inmiddels al weer tegen iemand anders aan leuterend, hoor ik ineens iemand mijn naam roepen. “Hé Neeltje.” Waardoor ik in de richting keek waar het vandaan kwam, staat ze daar naar me te gebaren, “Hier heb je die vent!” Zo volgde ik haar armbeweging richting de man die ze aanwees. We keken elkaar een moment recht in de ogen.
‘Een oude bekende! Jou ken ik. Ik weet niet waar van en hoe lang, maar jou ken ik!’ Ik wist het niet. In deze hoedanigheid had ik hem echter nog niet gezien. Maar wij kenden elkaar! Dat was me zo duidelijk als wat. Hij voelde zo vertrouwd! Uiteindelijk kwamen we elkaar weer tegen!
In een sneltreinvaart ging dit allemaal door me heen. En of het zo moest zijn verdween het weer even zo snel. Zodat mijn reactie was, “Oh, is hij dat.”
Die avond leerde ik wat andere mensen van de crew kennen. Waar het zo gezellig mee was, dat ik uitgenodigd werd om eens in een andere stad een optreden bij te komen wonen. Op 1 April zouden ze spelen in Breda, of ik zin had om te komen. “Is dat misschien een smakelijke grap?’ vroeg ik ze. “Nee, echt niet, ik regel je op de gastenlijst. Je hoeft alleen maar te komen.”
Dat beloofde ik en met het vertrekken van de mensen uit het café, zag ik dat de man met de bekende naam en het zwarte haar stond te wachten. Gezien wat één van zijn collega’s tegen hem zei, moest ik opmaken dat hij op mij stond te wachten. Maar ze gingen en hij ging mee.

Zodoende togen Niekske en ik zes dagen later naar Breda. Het werd er inderdaad weer erg gezellig. Dit kreeg een vervolg in Arnhem, twee dagen later.
We stonden voor het concert begon aan de bar in de Luxor. Het was er al behoorlijk druk, toen ik me ineens bekeken voelde. Nou kan dat nogal in een concertzaal, waar nogal wat mensen rondlopen op een dergelijke avond. Maar toch …
Ik keek in de richting waar de blik vandaan kwam. Hoe mensen dat toch voelen, als ze bekeken worden. In mijn gezichtsveld doemde Daaf op, de man van de foto. Om een hoekje stond hij, van achter iemand vandaan, mij op te nemen. Ik keek hem recht in de ogen en daar schrok hij blijkbaar van! Caught in the act!
Met een wild armgebaar vroeg ik hem wat hij nou eigenlijk van me moest. ‘Als je wat van me moet, kom dan maar op me af,’ dacht ik. Maar hij kwam niet. En dat was een trend die hij daar zette. Zo zou het nog heel vaak gaan tussen ons. Iets in hem was bang voor mij. En hij wist niet eens wie ik was. Toch?
Na die bewuste avond heb ik ze nog opgezocht in Den Haag, met een paar vrienden van mij en toen had ik er spuug genoeg van. Dat idiote muziekcircus vol leugens en bedrog, my kinda life was het niet. Meer dan genoeg had ik al gezien en meegemaakt in die drie weken. Ik hield het voor gezien …

Hoofdstuk 20 | Verenigd Zielenrijk © ® Cormaël 1998